Karakter
Start Omhoog Karakter Vaticanum II Zaligverklaring Genezingen

 

Start
Omhoog

Het karakter van Jozefmaria Escrivá

Vertaald uit: Andrés Vázquez de Prada, El Fundador del Opus Dei, deel III, p. 412-416

Vragen we ons af wat de belangrijkste karaktereigenschappen van de stichter waren, dan gaat het Spaanse gezegde genio y figura hasta la sepultura (je houdt je aard tot aan je dood) maar gedeeltelijk op. Met de jaren veranderden de nog onduidelijke trekken van het temperament van zijn kindertijd: niet door de biologische groei naar volwassenheid, maar door de moeite die hij deed om zijn minder gunstige neigingen en fouten met de hulp van de genade en de steun van zijn ouders te overwinnen. Toch waren die neigingen nog onmiskenbaar een deel van zijn persoonlijkheid zelfs toen hij ze al onder controle had.

De kenmerken van zijn temperament tekenden zich al in zijn vroegste jeugd af. Zo smeet hij als kleine jongen eens in zijn woede een bord met eten tegen de muur omdat hij het niet lustte. En als iemand op bezoek kwam, had hij de gewoonte zich onder een bed te verstoppen tot de visite weer vertrokken was. Naar eigen zeggen schaamde hij zich om de visite te groeten. In zo’n geval dwong zijn moeder hem zich over zijn schaamte heen te zetten door hem onder het bed vandaan te laten komen.

Twee andere voorvallen geven ons nog een beter beeld van zijn temperament. Kort na de dood van zijn twee zusjes – hij zal zo’n elf jaar zijn geweest – keek hij toe terwijl zijn andere zusjes met enkele vriendinnetjes een groot kaartenhuis aan het bouwen waren. Plotseling gooide Jozefmaria het bouwsel met één klap om. Zo doet God dat met de mensen ook, zei hij, je bouwt een huis en als het bijna klaar is maakt God het kapot (Hij had toen nog geen begrip van het mysterie van het lijden en het kruis, maar het gebeurde laat wel zien dat hij over het lijden nadacht en op het geestelijke gericht was).

Zijn impulsieve karakter blijkt ook uit een soortgelijk voorval op school. Eens moest hij van zijn wiskundeleraar naar het bord komen om sommen te maken. Toen deze hem een vraag stelde die nog niet behandeld was, gooide Jozefmaria verontwaardigd de borstel tegen het bord en liep hij protesterend terug naar zijn plaats.

Om ons een indruk van zijn temperament te vormen is het niet nodig nog meer anekdotes uit zijn jeugd naar voren te halen. Soms blijkt er een mengeling van bruuskheid en verlegenheid uit, in andere gevallen van ongeduld en opstandigheid en van een sterk gevoel voor rechtvaardigheid. Een andere karaktertrek, zijn koppigheid, kon hij vrij spoedig overwinnen, dankzij het gedecideerde optreden van zijn ouders. We zien dat Jozefmaria al vroeg van de koppigheid die hij als kind had gebruikt maakt om zijn negatieve eigenschappen de baas te worden, in een langdurige strijd met zichzelf. Dat gebeurde in de periode dat hij in Zaragoza woonde. In deze jaren van geduldig en volhardend gebed, van het zoeken naar de wil van God – Domine, ut videam (Heer, laat mij zien) maakte de toekomstige stichter van het Opus Dei zich het doorzettingsvermogen eigen dat hij aanduidt met “heilige koppigheid”. Want een doorzetter is koppig en volhardend, maar niet ongevoelig voor zelfcorrectie.

God had hem toegerust met de gaven die nodig waren voor zijn missie. Maar het ontwikkelen en verfijnen van die gaven vraagt een langdurige strijd en een onthechting aan zichzelf uit liefde, om zo een geschikt werktuig te worden voor Gods plannen, al beschouwde hij zichzelf altijd maar als een onhandig en bot instrument.

De stichter was buitengewoon gewillig tegenover degenen die hem leiding gaven en ook was hij in staat zijn mening te herzien als een zaak door nieuwe gegevens in een ander daglicht kwam te staan of als hij gewoon tot de conclusie kwam dat hij zich vergist had. Dan aarzelde hij geen moment, want ik ben geen rivier die niet terug kan stromen. Zelfs had hij een blij gemoed als hij iets van zichzelf rechtzette; naar zijn zeggen haalt zelfcorrectie de bitterheid uit je ziel. Hij zei dat de blijdschap die hij dan voelde een van de duidelijkste genaden was die de Heer hem sinds heel lang had geschonken en iets van jezelf rechtzetten helemaal geen vernedering van het verstand is.

Het gebeurde zo vaak dat de stichter moest erkennen dat hij zich vergist had, dat hij zijn vaste assistent Javier Echevarría aanspoorde zich geheel vrij te voelen als hij vond dat hij hem ergens op moest wijzen. Dat heb ik nodig en ik ben dankbaar voor ieder inzicht waardoor ik beslissingen die ik heb genomen kan corrigeren, verbeteren, of erop kan terugkomen.

Het was duidelijk dat hij een levendig en impulsief karakter had. De laatste uitingen van dat temperament, waarmee hij sinds zijn kinderjaren had gevochten, staan vermeld in zijn persoonlijke aantekeningen, met name zijn agressieve verontwaardiging over de beledigingen die in 1930 en ’31 in Madrid op straat naar zijn hoofd werden geslingerd. Uiteindelijk lukte het hem zich met grote moeite te leren beheersen, en kon hij een harmonisch evenwicht bereiken tussen driftigheid en kalmte en tussen krachtdadigheid en zachtmoedigheid. Wie had in het explosieve temperament van zijn jeugd de ‘man van vrede’ kunnen voorzien die hij later zou worden?

Na zoveel jaren broederlijke omgang met elkaar, schreef hij aan Mgr. Casimiro Morcillo, weet jij wel dat ik een man van vrede ben en dat ik van de Heer een onverstoorbaar goed humeur heb meegekregen en absoluut geen chagrijnigheid ken. Daarom kan ik ook met niemand ruzie maken.

En inderdaad, toen de gebreken van zijn hartstochtelijke natuur eenmaal waren uitgebannen en van alle onzuiverheid ontdaan, was de harmonie tussen zijn krachtige aard en de zachtheid waarmee hij met anderen omging stevig verankerd. Degenen die hem het beste hebben gekend waren getuigen van deze gelukkige combinatie. Mgr. Javier Echevarría beschrijft hem als “iemand met een sterke persoonlijkheid, besluitvaardig, en met een heldere geest”. Hij voegt daaraan toe: “Toch was hij zijn leven lang altijd vriendelijk, liefdevol, inschikkelijk en vol aandacht voor de behoeften van anderen”. Anderen, die hem alleen maar kenden van een kort gesprek of bezoek, zoals zijn tandarts in Rome, moeten op hun indrukken afgaan. Bij hen is hij vooral in herinnering gebleven als een vriendelijke, glimlachende ‘man van vrede’, hoewel ook zij wel een vermoeden hadden van de energie die daarachter schuilging. Hruska, zijn tandarts, vertelt dat “je het gevoel kreeg dat hij een magnetische aantrekkingskracht bezat, een fluïdum dat zo sterk was dat je je licht begon te voelen als een veertje en als het ware meegevoerd... Als hij op consult kwam kreeg ik een heel blij gevoel: er kwam een weldadige, zuivere windvlaag naar binnen, alsof ik een kalmeringstablet had ingenomen”.

Zeker waren er gelegenheden waarbij zijn hartstochtelijk temperament in zijn woorden en gebaren te voorschijn kwam. En dat niet door een gebrek aan zelfbeheersing, maar omdat zijn gemoed als het ware tot het kookpunt werd gebracht: bij moeizame onderhandelingen, als hij moest terechtwijzen, en vooral als hij zijn geestelijk erfgoed moest verdedigen. Wat voor een stichter zou hij zijn geweest als hij dat ontembare, sterke karakter niet had gehad, die heilige en gepassioneerde bezieling? Hoe had hij onmogelijke problemen kunnen oplossen, allerlei hindernissen kunnen nemen, op ieder ogenblik klaar voor de strijd? En hoe zou hij anders zo vol hebben kunnen zitten met optimistische plannen en de enorme hoeveelheid verzoeken hebben aangekund waar een grote ondernemer nog onder zou zijn bezweken? Kortom, welke voordelen heeft hij gehad van die manier van zijn?

Het antwoord op deze vraag is dat hij door de beheersing van dit sterke karakter werd gedwongen tot een voortdurende ascetische strijd; en dat hij door die overvloedige bron van energie, die hij volledig dienstbaar maakte aan zijn taak als stichter, het Opus Dei met verve voort kon stuwen. Zelf zei hij dat het Werk anders niet van de grond zou zijn gekomen.

Een ander aspect van zijn persoonlijkheid dat besloten ligt in de aangehaalde voorvallen uit zijn jeugd is zijn gevoel van schaamte en verlegenheid als hij tijdens visites in het middelpunt van de belangstelling werd geplaatst. Daar komt zijn afkeer van het spectaculaire vandaan, zijn niet willen opvallen. Hij bleef het liefst op de achtergrond. Hij hield van eenvoud en natuurlijkheid en was wars van aanstellerij, plichtplegingen en gemaaktheid.

Talloze keren heeft de stichter de stelregel beoefend die zo goed bij zijn karakter paste: mezelf verstoppen en verdwijnen. Deze norm was ongetwijfeld voor hem meer dan alleen een richtlijn voor zijn sociale gedrag. Het is duidelijk de wil van God voor mij, schrijft hij in 1934. Het is dus een kenmerk van de geest die hij heeft ontvangen in zijn hoedanigheid als stichter van het Opus Dei.

(Vertaling uit het Spaans. Ter wille van de leesbaarheid zijn de noten uit het boek hier weggelaten. El Fundador del Opus Dei (De stichter van het Opus Dei) is tevens uitgegeven in het Duits, Engels, Frans en Italiaans. Het boek bestaat uit drie delen en is verkrijgbaar bij uitgeverij de Boog, Utrecht: tel. (020) 416 00 99; www.deboog.nl; info@deboog.nl).

 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller