Zaligverklaring
Start Omhoog Karakter Vaticanum II Zaligverklaring Genezingen

 

Start
Omhoog

Over het zaligverklaringsproces van Mgr. Josemaría Escrivá
(samenvatting)

(Artikel gepubliceerd in L'Osservatore Romano, 14 mei 1992)

Angelo Kardinaal Felici Prefect van de Congregatie voor de Heiligverklaringen
Edward Nowak Secretaris van de Congregatie voor de Heiligverklaringen

Zoals bekend zal op 17 mei de plechtigheid van de zaligverklaring van de Eerbiedwaardige Dienaar Gods Josemaría Escrivá de Balaguer plaatsvinden. De aankondiging heeft niet alleen onder de leden van het door de Dienaar Gods gestichte Opus Dei vreugde gezaaid, doch eveneens bij allen die zijn spiritualiteit en werk hebben leren kennen.

Niettemin klonken er ook tegenstemmen, hetgeen te verwachten viel gezien de verbreiding van de leden van het Opus Dei en het werk dat zij ten dienste van de Kerk ten uitvoer brengen. Er zijn ook enkele verdachtmakingen geweest met betrekking tot de in dit geval door de Congregatie van de Heiligverklaringen gevolgde procedure. Voor deze insinuaties ontbreekt elke grond, zoals wordt aangetoond door een juiste kennis van de ontwikkeling van het Proces, dat wij uiteen zullen trachten te zetten.

I. Introductiefase van het proces

Na de dood van de Dienaar Gods te Rome op 26 juni 1975 begon de faam van heiligheid die hij in zijn leven had genoten zich steeds krachtiger te verbreiden. In de vijf daarop volgende jaren verzamelde de Postulatie in twee dossiers, van respectievelijk 428 en 390 bladzijden, talrijke getuigenissen van de verbreiding en de grondslag van deze faam van heiligheid. De Postulatie gaf ook nog een dossier uit met de ondertekende relazen van 1500 gunsten die worden toegeschreven aan de voorspraak van Mgr. Escrivá (momenteel is het aantal geschreven rapporten over verkregen gunsten en genaden 70.000). Daarnaast werden aan de Heilige Vader rond 6.000 verzoekschriften gericht, o.a. geschreven door 69 kardinalen, 1228 bisschoppen en 41 algemene oversten van religieuze ordes en congregaties, talrijke staats- en regeringsleiders, van wie velen de Dienaar Gods persoonlijk hadden gekend of tenminste voldeden aan de voorwaarden zoals die zijn voorzien in de door de Congregatie voor de Riten op 15 januari 1935 uitgegeven instructie.

Het Motu Proprio Sanctitas clarior, geldig van 1969 tot 1983, bepaalde - zoals overigens eveneens is voorzien in de normen die nog steeds van kracht zijn - dat ter vaststelling van de bestendiging en bevestiging van de faam van heiligheid een zaak pas vijf jaar na het overlijden van de Dienaar Gods kan worden geopend. De zaak van Mgr. Escrivá werd op 19 februari 1981 gestart, dat wil zeggen, binnen de wettelijke termen, na verkrijging van het nihil obstat van de Congregatie voor de Geloofsleer en de Congregatie voor de Heiligverklaringen, bekrachtigd door de Heilige Vader.

II. De instructiefase

Ten aanzien van het leven en de deugden van de Dienaar Gods werden vanaf mei 1981 gedurende zeseneenhalf jaar tegelijkertijd twee processen gevoerd, een te Rome en een in Madrid (dit laatste voor de Spaanstalige getuigen). Volgens de toen heersende praktijk werden de zeer gedetailleerde vragenlijsten opgesteld door de Congregatie voor de Heiligverklaringen, waarbij ook rekening werd gehouden met de kritiek van de tegenstanders, wier publicaties, die vijandig tegenover de Dienaar Gods stonden, haar ter hand waren gesteld door de Postulatie. Gedurende 980 zittingen in totaal werden 92 getuigen gehoord, allen de visu: een derde van hen had veelvuldige contacten met Mgr. Escrivá de Balaguer gehad in periodes wisselend van twintig tot veertig jaar. De ondervraging van een van de getuigen duurde maar liefst zestig zittingen, en de getuigenissen van het proces beslaan ongeveer 11.000 getypte bladzijden. Daarnaast werden er, als vrucht van het in 390 archieven verrichte onderzoek, documenten voorgelegd die in elf delen zijn verzameld.

Meer dan 50% van de getuigen is geen lid van het Opus Dei en de rechtbanken hoorden ook enige voormalige leden van het Opus Dei (*). Bovendien schonk de Postulatie grote aandacht aan het opgeven van namen van mensen die duidelijk tegen het Proces waren. Zij stelde ook voor, dat enkelen van hen door de rechtbanken ondervraagd werden. Ten aanzien van een van hen achtte de rechtbank het haar plicht deze van het afleggen van getuigenis uit te sluiten, aangezien zij van oordeel was, dat hij niet betrouwbaar was en evenmin geschikt om voor een kerkelijke rechtbank te verschijnen: deze beslissing werd genomen met de uitdrukkelijke goedkeuring van de Congregatie voor de Heiligverklaringen.

Een bewijs van groot belang bij het beoordelen van iemands heiligheid wordt gevormd door diens geschriften. De werken van de Dienaar Gods Josemaría Escrivá de Balaguer zijn door vier theologen-censoren onderzocht, twee voor de uitgegeven en twee voor de niet-uitgegeven geschriften. Hieronder volgen enkele van hun bevindingen: (...)

(*) Noot: er werden 11 ex-leden van het Opus Dei gehoord.

III. Onderzoek door de Congregatie

De laatste zitting van de rechtbank vond op 8 november 1986 te Rome plaats. Nadat het decreet van rechtsgeldigheid van het proces op 3 april 1987 was uitgevaardigd, werd de zeereerwaarde pater Dominicaan Ambrosio Eszer tot Relator benoemd. Onmiddellijk daarna ging een groep specialisten in theologie, kerkelijk recht en kerkgeschiedenis, ondersteund door informatica-deskundigen, zich wijden aan het opstellen van de Positio super virtutibus en de systematische uiteenzetting van de conclusies van het proces.

Bij de aanbieding verklaarde de Relator van de Congregatie: “Wij zijn tot de gefundeerde overtuiging gekomen dat de Positio volledig is: meer aanvullende studies zouden geen nieuwe belangrijke gegevens kunnen aandragen voor het oordeel dat de consultoren kunnen vellen op grond van het alhier aangeboden materiaal voor een juiste beoordeling van de heldhaftige beoefening van de deugden door de Dienaar Gods.”

De Positio werd aan de Congregatie overhandigd in juni 1988 en deze vertrouwde haar ter bestudering toe aan de consultoren-theologen in maart 1989. Een dergelijke tijdsruimte vormt geen uitzondering, zeker wanneer men voor ogen houdt, dat de zaak reeds beschikte over twee processen met betrekking tot veronderstelde wonderen. Zes maanden later, op 19 september 1989, werd het bijzonder Consultorencongres gehouden, onder voorzitterschap van de Algemene Promotor Fidei. De consultoren-theologen waren, zoals het Reglement bepaalt, aangesteld door de Secretaris van het Dicasterie in overleg met de Promotor Fidei, terwijl ook - gezien het belang van de Zaak - de Kardinaal-Prefect gehoord was. Uit eerbied voor hun eigen functies, omwille van het belang van het Proces en rechtvaardigheid jegens de auteurs diende de Congregatie zorg te dragen voor het waarborgen van een objectief en onpartijdig oordeel, dat niet vervormd zou worden door overwegingen die aan het Proces zelf vreemd waren.

Twee consultoren brachten een negatief oordeel uit. Hun argumenten werden onderzocht door de Relator, die uitvoerige en uitputtende uitleg verschafte. Overeenkomstig een in 1986 in een congres genomen besluit van de Congregatie voor de Heiligverklaringen werd een van de afwijzende stemmen niet gepubliceerd, aangezien de auteur ervan niet aan de discussie der consultoren deelnam. Hieronder volgen enkele oordelen van de overige theologen-consultoren: (...).

De Gewone Congregatie van Kardinalen en Bisschoppen sprak zich in de zitting van 20 maart 1990 unaniem uit over de heldhaftigheid van de deugden (...).

IV. De verklaring over het wonder

Het voor de zaligverklaring gepresenteerde wonder vond plaats in 1976, en het desbetreffende proces werd door de diocesane Curie van Madrid in 1982 geïnstrueerd.

De vergadering van de Medische Raad over het wonder werd gehouden op 30 juni 1990. Men heeft gezegd dat een van de medici-consultoren banden had met het Opus Dei. Dat is niets bijzonders, want ook wanneer het gaat om het onderzoek van de heldhaftigheid van de deugden van een Dienaar Gods bevindt zich onder de consultoren gewoonlijk een lid van de orde of congregatie waartoe hij behoorde. In het geval van het wonder wordt aan de zitting van de medici deelgenomen door de Secretaris en Vice-secretaris van het Dicasterie, de algemene Promotor Fidei en een ad hoc aangestelde functionaris. Anderzijds staan zowel de medici als degenen die de zitting bijwonen, net zoals de consultoren-theologen, onder ede, hetgeen de objectiviteit waarborgt. Ook het daarop volgende congres van consultoren-theologen, op 14 juli 1990, sprak zich unaniem uit ten gunste van de authenticiteit van het wonder, zoals dat later ook de Congregatie van Kardinalen en Bisschoppen zou doen. (...).

Ten slotte achten we het onze plicht erop te wijzen dat de Heilige Vader, alvorens tot de zaligverklaring over te gaan, aan een bijzondere commissie de opdracht heeft willen toevertrouwen om te bevestigen dat men gerust tot de zaligverklaring kon overgaan. Na rijpe overweging heeft genoemde commissie aan de Heilige Vader het positieve oordeel over de voorziene viering gegeven.

 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller