Vaticanum II
Start Omhoog Karakter Vaticanum II Zaligverklaring Genezingen

 

Start
Omhoog

Jozefmaria Escrivá en het Tweede Vaticaans Concilie

Vertaald uit: Andrés Vázquez de Prada, El Fundador del Opus Dei, deel III, p. 505-515

Toen in 1962 bij de voorbereiding van het concilie besloten werd de spiritualiteit en het apostolaat van de leken te behandelen, schreef de stichter vol hoop aan zijn geestelijke kinderen: Als jullie eens wisten hoe blij ik ben dat het concilie zich gaat bezighouden met de thema’s die sinds 1928 ons leven vervullen! De geest en het apostolaat van het Opus Dei droegen inderdaad bij aan het werk van het concilie. Als men de documenten van Vaticanum II naloopt, waarin de traditionele leer in nieuwe kledij is gestoken, dan valt het op hoe de officiële teksten overeenkomen met wat de stichter reeds eerder verkondigd had. Het onderricht dat dertig jaar geleden door sommigen als absurd en ketters was bestempeld werd nu op plechtige wijze tot officiële leer verheven.

Het ging in de eerste plaats om de universele oproep tot heiligheid, die de stichter in 1930 eenduidig op papier had vastgelegd:
De heiligheid is geen aangelegenheid voor geprivilegieerden. God roept iedereen. Van allen verwacht Hij Liefde, waar zij ook zijn en welke levensstaat of wat voor beroep zij ook hebben.

De parallelle tekst is te vinden in de dogmatische constitutie over de Kerk (Lumen gentium, 40 en 41): “Voor iedereen is het bijgevolg duidelijk, dat alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, tot de volheid van het christelijk leven en de volmaaktheid van de liefde geroepen zijn (…). Aldus zullen de christengelovigen, zonder uitzondering, in de voorwaarden, verplichtingen en omstandigheden van hun dagelijks leven, en juist door dit alles, iedere dag meer geheiligd worden, als zij alles met geloof uit de hand van de hemelse Vader aanvaarden en met de wil van God meewerken, door in hun aardse dienst de liefde waarmee God de wereld bemind heeft voor allen te doen blijken.”

Het decreet over het ambt en het leven van de priesters (Presbyterorum ordinis, 2 en 12) zegt dat de Heer heel zijn mystiek lichaam in de zalving van de Geest doet delen: “alle gelovigen zijn tot een heilig en koninklijk priesterschap geworden.” En de priesters, die door het wijdingssacrament gelijkvormig aan Christus-Priester worden gemaakt en reeds in de wijding van het doopsel het teken en de gave van zo’n genadevolle roeping ontvangen, “kunnen en moeten de volmaaktheid bereiken”.

In deze woorden kan men een weerslag zien van het werk onder diocesane priesters dat hij in zijn jonge jaren begon en van zijn ijver in de geestelijke leiding van de leken – mannen en vrouwen – die hij het ideaal van een contemplatief leven met “priesterlijke ziel” en “lekenmentaliteit” voorhield. Een ideaal dat de stichter in 1940 in een van zijn brieven benadrukt:
Daarom zijn wij allen geroepen om deel uit te maken van deze goddelijke eenheid. Met priesterlijke ziel, door van de heilige Mis het centrum van ons innerlijk leven te maken, zoeken wij de ontmoeting met Jezus tussen God en de mensen.

De woorden van het decreet, die de heilige Mis centrum et radix noemen, zijn een letterlijke weerklank van zijn omschrijving van de Mis als centrum en wortel van het innerlijk leven.

Het concilie geeft ook aan wat een leek precies is en welke rol hij vervult. Het was nodig te erkennen dat de evangelische zending van de lekengelovigen binnen de verlossingstaak van de Kerk eigen trekken vertoont. Deze specifieke zending vindt plaats door het “apostolaat van de arbeid”. Het decreet Apostolicam actuositatem, 2 stelt: “Omdat het karakteristiek is voor de leek, dat hij midden in de wereld met haar eigen structuren leeft, is hij speciaal door God geroepen om, in een vurige christelijke geest, als een zuurdesem zijn apostolaat in de wereld te verrichten.”

Het decreet ademt dezelfde geest als de overtuiging van Mgr. Escrivá, toen hij in 1932 schreef:
We moeten af van het vooroordeel dat de gewone gelovigen niet méér kunnen doen dan de clerus in het kerkelijk apostolaat bij te staan. Het apostolaat van de leken is niet noodzakelijk een simpele deelneming aan het hiërarchische apostolaat. Het is een eigen plicht van de leken om apostolaat te beoefenen (…). En niet omdat ze een canonieke zending nodig zouden hebben, maar omdat ze deel uitmaken van de Kerk.

Ook in de pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd (Gaudium et spes, 34) waait een frisse wind: een nieuwe en optimistische visie tegenover de crisis in de historische ontwikkeling van de mens. De Kerk moet niet verzaken aan de civitas terrena – de aardse stad – van de mensheid door zich af te wenden van de cultuur en de techniek. Integendeel, de constitutie verkondigt de waardigheid van de mens, geschapen naar het beeld van God, en verlangt dat de christen zich mengt in de aangelegenheden van de wereld.

Het concilie geeft ook aan dat de arbeid in het goddelijke plan besloten ligt: “Dit alvast is voor gelovigen een vaste overtuiging, namelijk dat de individuele en gezamenlijke activiteiten van de mensen, anders gezegd, die grootse onderneming waarin de mensen in de loop der eeuwen moeite doen om hun levensvoorwaarden te verbeteren, in zichzelf beschouwd met de bedoeling van God corresponderen” (Gaudium et spes, 34).

Het gebod in het boek Genesis, dat de mens de aarde onderwerpt door ze naar de Schepper toe te voeren “geldt ook voor de dagelijkse bezigheden”, gaat de constitutie verder.

Mgr. Escrivá was zeer verheugd dat het concilie plechtig onderstreepte dat de Kerk de wereld waarin ze leeft, en de vooruitgang en de ontwikkeling ervan, niet afwijst maar begrijpt en liefheeft. De theologische herwaardering van de arbeid als ontmoetingsplaats van het leven van de gewone christen met God hielp de boodschap van het Opus Dei te verkondigen:
Als men de decreten van het Tweede Vaticaans Concilie leest, dan lijkt de nieuwe waardering voor de gewone arbeid en voor de waardigheid van de roeping tot een christelijk werkzaam leven midden in de wereld een belangrijk deel van deze vernieuwing te zijn.

Zijn blijdschap bij de officiële erkenning door het leergezag van de goddelijke wegen op aarde blijkt ook uit deze woorden:

Het was voor mij een grote vreugde dat het Tweede Vaticaans Concilie op duidelijke wijze de goddelijke roeping van de leek verkondigde. Zonder enige aanmatiging mag ik zeggen dat het concilie, wat onze geest betreft, ons geen aanleiding tot wijziging heeft gegeven. Het heeft, integendeel, alles bevestigd wat wij met de genade van God al zoveel jaren in praktijk brengen en leren. Naast deze optimistische woorden, uitte hij ook zijn bezorgdheid. Toen Vaticanum II werd afgesloten schreef hij aan zijn geestelijke kinderen: Het concilie loopt ten einde; de laatste zitting is inmiddels aangekondigd. Wanneer jullie deze brief hebben ontvangen, is het postconciliaire tijdperk aangebroken. Ik vrees bij de gedachte dat deze periode aanleiding kan geven voor het slaan van nieuwe wonden in het lichaam van de Kerk. De jaren na een concilie zijn altijd belangrijk. Ze vereisen volgzaamheid in de toepassing van de aangenomen besluiten. Ze vereisen ook standvastigheid in het geloof, bovennatuurlijke geest, liefde tot God en zijn Kerk, trouw aan de paus. De stichter dacht aan het geestelijk welzijn van de zijnen. Eerder had hij hun criteria verstrekt over boeken van auteurs die niet in de lijn van de Kerk dachten. Hij wees hen op de criteria in de dogmatische constitutie Dei verbum van het Tweede Vaticaanse Concilie; raadde aan zich te oriënteren op de leer van de heilige Thomas van Aquino en trouw en volgzaam te zijn aan het leergezag van de Kerk en van de paus.

Bij het uitvaardigen van de constituties en decreten betuigde de stichter zijn hechte instemming en gehoorzaamheid. In de gevallen waarin de beschikkingen ruimte voor invulling gaven, opteerde hij als herder van het Opus Dei voor oplossingen die de godsvrucht van de leden het meest bevorderden.

Met zijn fijnzinnige gevoel voor liturgie waakte hij voor misbruiken en excessen in de eredienst, begaan door degenen die de lex orandi in strijd met de concilieteksten veranderden zonder voor ogen te houden dat die tot ingetogenheid, aanbidding en godsvrucht moet leiden.

Vooral de misbruiken rond de heilige Mis, als centrum van het christelijk leven, deden hem pijn. Toen deze misbruiken de kop opstaken schreef hij aan zijn geestelijke kinderen:

Zoals de Kerk ons voorhoudt en in trouw aan het leergezag, moeten de gelovigen de heilige Mis leren beminnen, zonder de liturgie te laten verwateren tot een louter gemeenschappelijk symbolisme. Want in de liturgie moet ook een persoonlijke ontmoeting plaatsvinden van de mens met zijn God; een dialoog van lofprijzing, dankzegging, smeekbede en eerherstel. Iedere verandering in de rubrieken van de Ordo Missae, hoe klein ook, viel hem vanwege zijn priesterlijke ziel op. Op 24 oktober 1964 schreef hij aan zijn geestelijke kinderen in Spanje, nadat hij twee weken daarvoor op audiëntie bij de paus was geweest. In zijn brief kan hij een verzuchting niet onderdrukken:

Opnieuw wordt de liturgie van de heilige Mis gewijzigd. Op mijn bijna 63ste doe ik, met de hulp van don Javier, mijn best om de Moederkerk tot in detail te gehoorzamen, ook al kan ik niet ontkennen dat sommige onnodige veranderingen mij pijn doen. Maar ik zal altijd met vreugde gehoorzamen.

Enkele maanden later schreef hij opnieuw naar Spanje: Ik probeer de heilige Mis op te dragen met de zorgvuldigheid van een neomist (…). Wat is het geweldig, ook hier op aarde, te leren en te willen gehoorzamen. Met het verstrijken van de jaren werd de herinnering aan de goddelijke ingevingen, die de verschillende delen van zijn mis met elkaar verbonden, intenser en rijker. Het voor de geest halen van die herinnering wekte bij hem gevoelens van aanbidding en dankzegging op.

Het waren tijden waarin zich een diepe crisis binnen de muren van de Kerk voltrok. Hoe oordeelde de stichter van het Opus Dei over die periode? Toen hem hiernaar in 1967 werd gevraagd, noemde hij deze periode “positief” en “delicaat”:

Ongetwijfeld positief, omdat de theologische rijkdom van het Tweede Vaticaanse Concilie de gehele Kerk - het gehele priesterlijke volk van God - een nieuw, uitermate hoopvol tijdperk heeft binnengeleid, een periode van hernieuwde trouw aan het goddelijke heilsplan, waarvan de verwezenlijking aan dat volk Gods is toevertrouwd. Maar tegelijkertijd ook delicaat, omdat de theologische consequenties waartoe men gekomen is, niet - om zo te zeggen - abstract of theoretisch zijn. Het gaat hier namelijk om een bij uitstek levende theologie, met direct pastorale, ascetische en disciplinaire gevolgen, die het innerlijke en uiterlijke leven van de christelijke gemeenschap op essentiële punten raken.

Het was zeker een delicate periode, ook al hadden de voorschriften van het concilie alleen een pastoraal karakter. De interpretatie van concilieteksten gaf niettemin aanleiding tot verwarring op het gebied van geloof en moraal. Sommigen gebruikten de teksten als middel tot kerkvernieuwing met voorbijgaan aan de traditionele bronnen van de Kerk. Om deze leerstellige verwarring te rechtvaardigen beriep men zich op een vermeende “geest van het concilie” en baseerde men zich op modieuze, pseudo-theologische stromingen. De zichzelf noemende vernieuwers, bestempelden degenen die hen niet volgden en trouw bleven aan het katholieke leergezag, als ouderwets en star. (Gezegd moet worden dat er onder laatstgenoemden ook mensen waren die zich koste wat kost aan het oude bleven vastklampen, en de mogelijkheid van ontwikkeling of groei niet aanvaardden). Het viel te verwachten dat ook de stichter niet ontkwam aan beschuldigingen van paternalisme, integrisme, triomfalisme en soortgelijke kwalificaties. Hij verzette zich energiek tegen dergelijke etiketteringen: Integrist, progressief! Wat ik wil, is de geloofsschat integraal bewaren en vooruitgaan in de verdieping ervan.

Zoals bij andere gelegenheden zou hij het liefst hebben gezwegen, vergeven, gebeden en gediend. Maar hij kon niet zwijgen wanneer door het verdraaien van geloofswaarheden de leer van de Kerk werd beschadigd en tweedracht onder de gelovigen werd gezaaid. Om de zijnen in het geloof te ondersteunen en voor de heersende geloofsverwarring te behoeden, schreef hij hen op 19 maart 1967 een lange brief. Die begint met de woorden: Fortes in fide. Geliefde dochters en zonen, ik zie dat jullie, sterk in het geloof, met goddelijke kracht getuigenis afleggen op alle plaatsen van de wereld. En iets verder:Reeds aan het begin van deze brief wil ik benadrukken dat deze louter pastoraal is. Dit schrijven is erop gericht de katholieke geloofsschat te bewaren en te verdedigen, opdat de bovennatuurlijke vruchten in jullie en in de maatschappij waarin jullie leven mogen groeien. Als ik jullie waarschuw om jullie geloof niet door het huidige klimaat te laten aantasten, zal niemand met recht kunnen beweren dat ik integrist of progressief, hervormer of reactionair ben. Ieder van die kwalificaties zou onterecht en onjuist zijn. Ik ben priester van Jezus Christus, die houdt van de helder en gedetailleerd geformuleerde leer; die God bewondert en bedankt voor alle grote stappen in menselijke kennis, omdat ze – als ze echt wetenschappelijk zijn – ons helpen dichter bij de Schepper te komen.

De toon van de lange brief is sereen en hoopgevend. In deze toon sluit hij ook af:

Deze slechte tijden zullen voorbijgaan, zoals slechte tijden altijd voorbij zijn gegaan. Het heeft de Kerk nooit ontbroken aan zieken en ziektes (…).

Wees optimistisch en blij. God is met ons! Daarom ben ik dagelijks vol hoop. Deze deugd toont ons het leven zoals het is: mooi en komend van God. (Vertaling uit het Spaans. Om wille van de leesbaarheid zijn de noten uit het boek hier weggelaten. El Fundador del Opus Dei (De stichter van het Opus Dei) is tevens uitgegeven in het Duits, Engels, Frans en Italiaans. Het boek bestaat uit drie delen en is verkrijgbaar bij Uitgeverij De Boog, Utrecht: www.deboog.nl; info@deboog.nl).

 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller