Antonio Fontán
Start Omhoog Giuseppe Romano Antonio Fontán Álvaro del Portillo

 

Start
Omhoog

Katholiek Nieuwsblad, 12 november 1991

Tegen de vrijheidsberoving

Leden van Opus Dei tijdens het Franco-regime

Antonio Fontán

De auteur, journalist en wetenschappelijk medewerker voor Latijnse filologie Antonio Fontán in Madrid, is lid van de prelatuur van het Opus Dei. In de jaren zestig was hij als hoofdredacteur van de krant ‘Madrid’ een van de bekendste oppositionelen tegen Franco.
Na het einde van de dictatuur werd hij in 1977 in de Spaanse senaat, de eerste kamer van het parlement, gekozen en was in de functie van eerste voorzitter van het parlement in grote mate betrokken bij de opstelling van een democratische grondwet in Spanje. In zijn bijdrage voor de Deutsche Tagespost schrijft hij over de opstelling van katholieken t.o.v. de dictatuur.

Het autoritaire Franco-regime van 1936 tot 1975 hoefde in het begin niet bang te zijn voor sterk verzet vanuit de katholieke hoek. Dit werd niet op zijn minst veroorzaakt door de bloedige feiten die het overwonnen ‘volksfront’ – links-liberalen, socialisten, communisten – destijds in een gruwelijke agressie tegen de kerk had uitgeoefend. In het ‘republikeinse’ Spanje werden in het begin van de burgeroorlog meer dan zesduizend geestelijken waaronder 13 bisschoppen vermoord. Er is wat voor te zeggen, dat het merendeel van de moordaanslagen op het conto van extremisten geschreven kan worden, deze werden echter op zijn minst gedoogd door de toenmalige politieke heersers.
Na de putsch van Franco werd er een einde gemaakt aan de discriminatie van katholieken. Men begon met de wederopbouw van kerken en kloosters die door de burgeroorlog in ruïnes waren veranderd. De jezuïeten kregen de goederen terug die door de republikeinen in beslag waren genomen. De privé-scholen, meestal confessioneel, werden gelijkgesteld met het staatsonderwijs. In de klaslokalen mochten weer kruisbeelden opgehangen worden. De huwelijkswetgeving richtte zich op de kerkelijke richtlijnen. Zo konden de katholieken wal betreft hun confessionele belangen na de harde beproeving opgelucht ademhalen.
Dit was echter ook alles, als men denkt, dat het regime van de ‘Generalisimo’ met harde autoritaire hand de vrijheidsrechten beperkte of volledig introk, waar elk mens recht op heeft; zoals de vrijheid van vergadering, de vrijheid van meningsuiting en de persoonlijke vrijheid.
Dat men toch niet massaal de barricades op ging, heeft zeker veel te maken met de confessionele ‘gebondenheid’, maar ook met een algemene stemming van conflictmoeheid na de burgeroorlog. In grote delen van de bevolking werd het Franco-regime gezien als een ‘overgangsprobleem’ dat nieuwe escalatie moest voorkomen door in het wat betreft democratie nog onervaren land een machtsvacuüm te voorkomen.

Liberalisering van binnenuit

Toen zich echter begon af te tekenen dat het niet zou blijven bij een ‘overgangsoplossing’ nam de oppositie in het land toe. Behalve communisten en socialisten waren er ook groepen studenten en arbeiders actief, die onder de vlag van katholieke organisaties ageerden. Direct aan het front hiervan stonden die katholieken, die het regeringssysteem voor niet-hervormbaar hielden. Anderen probeerden ‘van binnen uit’ hervormingen op gang te brengen. Zelf hoorde ik bij de groep die weigerde het regime te steunen. Als hoofdredacteur van het dagblad ‘Madrid’ profileerde ik mij van 1966 tot 1971 bij een publicitair initiatief van katholieke oppositionelen die ondanks de intussen iets ge1iberaliseerde perscensuur een voortdurende kleine oorlog tegen de machtshebbers voerden en die tenslotte uitliep op het verschijningsverbod van het blad in 1971.
Wij van het dagblad ‘Madrid’ zagen onszelf als verdedigers van de vrijheden, vooral van het recht op verenigingen zowel wat betreft politieke groeperingen als vakbonden en de vrijheid van meningsuiting. Om de dringende regionale problemen zoals van de Basken en de Catalanen op te lossen, moesten naar onze mening de politieke structuren hervormd worden. Daarbij ging het ons in feite om de invoering van de parlementaire democratie, om vrije verkiezingen en een spectrum van politieke partijen. Vrijheid moest niet voor een déél gelden maar moest allesomvattend zijn. De formulering van deze doelstellingen betekende een voortdurend conflict met de onverbeterlijke vertegenwoordigers van de Falange, de eenheidspartij, waarop het regime van Franco vanaf het begin gesteund had, die hij echter tegelijkertijd niet de onbeperkte machtspositie van een totalitair regime gaf. De vertegenwoordigers pasten de perscensuur zeer restrictief toe. Vaak waren toespelingen tussen de regels door voldoende om door de bankstraal van de regeringsbeambten getroffen te worden. We kregen talrijke geldboetes en in 1968 mochten we vier maanden lang niet verschijnen tot er in 1971 een volledig verschijningsverbod werd opgelegd. Andere katholieken meenden dat het beter was te proberen het regeringssysteem van ‘binnen uit’ re liberaliseren. Een mogelijkheid daarvoor was de economische crisis eind jaren vijftig toen Franco handenwringend naar vakmensen zocht die het land uit de vastgelopen planeconomie van de Falange konden halen. Uiteindelijk vroeg hij enkel jongere personen om hun medewerking. Deze hadden voor een deel een zeer goede opleiding in de BRD en in de VS gehad. Deze leken in staat te zijn om met de reeds lang noodzakelijk geworden hervormingen te beginnen. Onder hen waren naast andere katholieken ook andere leden van het Opus Dei zoals de latere minister van handel AIberto Ullastre en de minister van financiën Navarro Rubio.

Het systeem bleek niet te hervormen

Als niet-partij-gebonden stonden ze in het spervuur van de Falangefunctionarissen, die de komst van nieuwe economische experts met groot wantrouwen bekeken. Ze werden door hen uitgescholden voor ‘technocraten’ en men verweet ze dat ze niet achter de Falange-ideologie stonden en onder de dekmantel van hervormingen te streven naar verregaande politieke hervormingen.
Inderdaad hebben niet weinig katholieken ‘binnen het systeem’ ertoe bijgedragen dat er met individuele vrijheidsrechten ook buiten de economische sector langzaam maar zeker meer rekening gehouden werd.
Woedend over de liberaliseringstendens begon de Falange uiteindelijk een georganiseerde campagne tegen het Opus Dei die in kringen van de eenheidspartij als voedingsbodem voor diverse hervormingen werd gezien. Daarbij maakte men ongegeneerd gebruik van de gelijkgeschakelde partijpers, waarin het Opus Dei ondanks zijn uitsluitend geestelijke doelstellingen steeds met nieuwe varianten tot een politieke pressure-group gedeformeerd werd.
De stichter van het Opus Dei Josemaría Escrivá stuurde op 23 oktober 1966 een brief naar de Falangepartijsecretaris José Solis om zich te beklagen over de niet-gerechtvaardigde verwijten.
Dit document verheldert de positie van de in de politiek actieve Opus Dei-leden tot dan toe. 
De leden van het Opus Dei zijn, met hun vaak genoeg tegengestelde engagement, volledig onafhankelijke personen en handelen niet zoals sommige anderen in opdracht van, of onder bescherming van een religieus instituut. Zij strijden als burgers van een land voor hun eigen overtuiging.
Bij alle tijdelijke belangen en in elk theologisch probleem dat de Kerk overlaat aan de vrije strijd tussen meningen, zo schrijft Mgr. Escrivá, denken en handelen leden van het werk volgens eigen goeddunken, dus alsof ze niet bij het Opus Dei zouden lijn.

Vervolgens waarschuwt de stichter van het Opus Dei de partijsecretaris ervoor het geestelijke niet met het aardse te verwisselen, terwijl het toch duidelijk is dat de leiding van het Opus Dei niet het geringste kan doen om de legitieme en volledige persoonlijke vrijheid van de leden te beperken. Hij wijst op de uitsluitend geestelijke doelstellingen van het werk en vraagt tenslotte de politicus voor zijn agitaties niet iets te gebruiken dat boven al het menselijk voelen en denken verheven is.
Als ik nu een oordeel moet geven over het streven naar hervormingen in de tijd van het Franco-regime met het oog op politieke hervormingen zou ik voor beide visies argumenten kunnen aanvoeren.
Ik wil de hervormers ‘van binnen uit’ niet nog steeds niet in de verdomhoek plaatsen en ontken ook niet dat zij ons land uiteindelijk democratisch wilden maken. Zeker hebben deze vertegenwoordigers van de zogenaamde late-Franco-periode een liberalisering van de economie, bestuur en openbare orde gewild zoals ook tolerantie in het maatschappelijke leven en een opening van Spanje naar Europa toe. Maar het systeem zelf bleek niet wezenlijk hervormbaar. De interne tegenstellingen traden vooral naar buiten, bijvoorbeeld bij de vrijheid van meningsuiting. Wat voor zin heeft het een wet te maken als men zich hier vervolgens bewust niet aan houdt. De ontwikkelingen hebben de oppositie later gelijk gegeven, toen het regime, na de dood van de dictator uiteenviel en de weg vrij werd van autocratie naar democratie.

Antonio Fontán
Deutsche Tagespost

 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller