Giuseppe Romano
Start Omhoog Giuseppe Romano Antonio Fontán Álvaro del Portillo

 

Start
Omhoog

Uit: Vittorio Messori, Opus Dei. Een onderzoek, Oegstgeest/Utrecht 1997

Hoofdstuk 17

Opus Dei onder Franco

door Giuseppe Romano

Opus Dei. Een onderzoek.
(ISBN 90-62-57-105-0,
paperback, 224 blz.) is 
verkrijgbaar bij
Stichting De Boog

De kwestie van de «medeplichtigheid» van het Opus Dei aan het bewind van generaal Franco, 1939-1975, is alleen schijnbaar makkelijk op te lossen. Om te beginnen is de probleemstelling - historisch en journalistiek - binnen en buiten Spanje niet eenduidig.

Voor de niet-Spanjaarden geldt het probleem alleen maar in algemene trekken. Daarom wordt het meestal in een paar regels afgedaan, en zo blijft de schaduw van Franco-gezindheid als een moeilijk te verwijderen smet aan het Opus Dei kleven. In lexicons en encyclopedieën treft men vaak algemeenheden aan als: «De hoogste groep, de numerarii, die zowel leken als priesters zijn, leeft in celibaat; daartoe behoren vooraanstaande intellectuelen en politici. Opus Dei heeft vooral in Spanje invloed; van 1956 tot 1973 hadden zijn leden sleutelposities in het economische en politieke leven in handen en oefenden een conservatief-katholieke invloed uit.»1 In het algemeen berust dergelijke informatie op een ander, wat eerder uitgegeven naslagwerk. Daarmee is echter nog niet de vraag beantwoord hoe de idee in de wereld gekomen is, dat het Opus Dei, ondanks de burgerlijke autonomie van zijn leden - alleen in naam zeggen sommigen - een pressiegroep zou zijn.

Ik heb de gelegenheid gehad de persoon en het werk van de stichter, Josemaría Escrivá, te bestuderen om een en ander aan derden duidelijk te maken.2 Laten we nu, met de beperkingen van mijn mogelijkheden, van de beschikbare ruimte en de weliswaar ruime maar niet volledige documentatie, beginnen aan een tour-de-force en trachten in de kwestie klaarheid te brengen.

Ik heb niet de pretentie met een reeks conclusies, alomvattende citaten, met het laatste, of zelfs maar het een na laatste woord te komen. Ik beperk me ertoe het woord te geven aan een paar hoofdrolspelers en vul het relaas hier en daar aan met nuttige informatie.

Wie zich in de zaak wil verdiepen, stuit onmiddellijk op twee kennelijk tegengestelde uitgangsstellingen: die van het Opus Dei, dat altijd gesteld heeft niets te maken te hebben met het politieke systeem van Franco; en die van de eerder vermelde reputatie van collaboratie. Een beschuldiging die in heel wat hoofden lijkt rond te spoken en die soms tegenstrijdige facetten en nuances heeft.

Aan de discussie ligt ontegenzeglijk een gegeven ten grondslag: een paar leden van het Opus Dei hebben zitting gehad in de Spaanse regering onder het bewind van Franco. De Duitse historicus Peter Berglar vermeldt het aldus in het kort: «In 1957 reorganiseerde Franco zijn kabinet teneinde de economische situatie van Spanje aan te pakken, met name vanwege de buitenlandse betalingsbalans; en om Spanje op weg te helpen naar een economisch en financieel stelsel dat in staat zou zijn in de moderne wereld te concurreren. Hij benoemde een paar zeer gekwalificeerde specialisten afkomstig uit de bank- en universitaire wereld tot minister. Onder hen bevonden zich drie, later vier, leden van het Opus Dei: Alberto Ullastres Calvo, hoogleraar geschiedenis van de economie aan de universiteit van Madrid, werd benoemd tot minister van handel; Laureano López Rodó, een pas zevenendertigjarige wetenschapper, werd minister zonder portefeuille en directeur-generaal van het economisch planbureau; Mariano Navarro Rubio, tot dan onderminister voor openbare werken, kreeg financiën; en in 1962 trad Gregorio López Bravo de Castro tot het kabinet tot als minister voor industrie. López Bravo en López Rodó zouden later ook nog minister van buitenlandse zaken worden. In de vakliteratuur sprak men gewoonlijk over het tijdperk der technocraten van het Franco-regime, waarmee gesuggereerd werd, dat er een accentverschuiving had plaatsgehad van ideologie naar praktijk.»3 Onder de zogeheten technocraten bevonden zich ook mensen die niets met het Opus Dei van doen hadden, en ook leden van de Asociación Católica Nacional de Propagandistas.

Het is niet voldoende ministers van het Opus Dei ten tonele te voeren om het bestaan van een politiek plan aan te tonen

Dat zijn de feiten, nu de polemieken.

Voor we echter op de zaak ingaan, lijkt het me van wezenlijk belang twee opmerkingen te maken. De eerste, die voor de hand liggend lijkt maar wat toch niet zo is: als iemand aangeklaagd wordt, moet zijn schuld bewezen worden en hoeft hij niet zijn onschuld te bewijzen. Dat wil zeggen, dat het op de weg van de aanklager ligt bewijzen te verzamelen en op tafel te leggen. Dat is het verschil tussen aantijging en aanklacht. Bewijzen produceren waaruit blijkt, dat het Opus Dei welbewust en stelselmatig getracht heeft politiek te collaboreren, is zoals we zullen zien, echt moeilijk, want het is niet voldoende ministers van het Opus Dei ten tonele te voeren om het bestaan van een politiek plan aan te tonen.

Tweede opmerking: het probleem van het franquisme is nog lang niet opgelost, zeker niet in Spanje. De caudillo heeft een diep spoor achtergelaten dat een groot deel van deze eeuw doorsnijdt, en in veel gevallen is de wond nog open. De Spanjaarden hebben het onmogelijke gedaan, eerst om Franco te volgen en daarna om hem te vergeten. Het is moeilijk in deze kwestie een Spanjaard te vinden die zonder emoties reageert. Dit betekent, dat het moeilijk is een gelijkmoedige Spaanse bron te vinden om je op te verlaten en dientengevolge moet de niet-Spaanse onderzoeker zich met uiterste behoedzaamheid gedragen, wanneer hij zich op dit terrein begeeft.

Franco was een dictator, maar niet een Mussolini of een Hitler. Wat zijn populariteit in eigen land betreft, schreef Vida Nueva, een tijdschrift dat kritisch tegenover Franco stond, de dag na zijn begrafenis: «De dood van Franco was, niemand zal dat tegenspreken, een schok voor het nationale geweten. Wij hebben honderden en duizenden ogen met tranen gezien. We hebben gedurende lange dagen de ontroering en de ontroerende stilte ervaren in Madrid. Een golf van eerlijke genegenheid en diep respect, het enthousiasme van velen voor de persoon die voor hen een held, een verlosser, bijna een heilige was. En het waren stellig niet de bevoorrechten van het fortuin of de politiek: het waren rijken en armen, ontwikkelden en eenvoudigen, ouderen en jongeren.»4.

Kortom, welk oordeel er ooit geveld zal worden over de mens, over zijn gedachtengoed, over de context, over zijn bijdrage aan de geschiedenis, een bepalend punt zal in de gaten gehouden moeten worden: Franco en Spanje zijn gedurende veertig jaar aan elkaar verknocht geweest op een wijze die zijn weerga niet kent. Als de Spanjaarden die knoop nog in het geheel niet hebben kunnen ontwarren, hoe zou het ons dan in een paar bladzijden kunnen lukken.

Laten we de koe bij de horens vatten en bezien in welke mate er leden van het Opus Dei bij Franco-regeringen betrokken zijn geweest.

Dat wat ieder lid in zijn eigen werk, in de politiek, op economisch of cultureel gebied doet, is zijn eigen zaak

Het Opus Dei heeft altijd - zowel als instelling als bij monde van de betrokken leden - volgehouden dat het optreden van enkelen van hen in regeringen van Franco niet betekende, dat de instelling als zodanig politieke doeleinden nastreefde. De leden zijn alleen wat betreft ascese en katholieke vorming gebonden, en dat wat ieder in zijn eigen werk, in de politiek, op economisch of cultureel gebied doet, is zijn eigen zaak. Verder staat vast, dat zij hun handelen op deze terreinen dienen te ‹heiligen›, dat wil zeggen, het christendom in de praktijk gestalte geven. Maar het hoe, ofwel de concrete beslissingen, moet ieder zelf bepalen. Dat leidt ertoe, dat er geen vertegenwoordigers van het Opus Dei in de politiek zijn, maar dat er wel - katholieke - mannen en vrouwen zijn die politiek bedrijven en los daarvan ook lid zijn van het Opus Dei.

Wat betreft de leden van het Werk, die over de hele wereld verspreid zijn en te vinden zijn in alle maatschappelijke geledingen, is er niets aan de hand. Volgens hen spreekt hun dagelijks leven duidelijke taal: bij geen van de leden van het Opus Dei is het ooit in het hoofd opgekomen anders te denken of te handelen. Het gebeurt nog al eens, dat men bij het lezen van een tijdschrift een brief aantreft van een informatiebureau van de Prelatuur als reactie op een eerder verschenen bericht waarin min of meer staat: «meneer die-en-die is niet het Opus Dei en hij kan zeggen en doen waar hij zin in heeft, zonder dat de Prelatuur daar iets mee te maken heeft».

Het herhalen van de dingen heeft effect, zoals de jaren en de gebeurtenissen hebben aangetoond. Vandaag de dag, vooral na de zaligverklaring van de stichter, zijn er veel mensen die het Opus Dei beter kennen en weten, dat de leden van het Werk mensen zijn zoals de anderen en geen marionetten in een poppenkast. In de jaren vijftig, zestig en zeventig was dat nog niet zo duidelijk.

Anderzijds gaat het niet alleen om een ‹technische› kwestie. De stichter vond en verkondigde dat met het begrijpen van dit punt de volwassenheid van de leek op de weg zoals door Vaticanum II benadrukt, staat of valt: anders begrijpt men niet, dat het voor een gewone gelovige, iemand die werkt, een burger, mogelijk en noodzakelijk is in de wereld zijn plaats te hebben zonder stempel van zijn religie of religieuze overheid, en begrijpt men zeker niet wat het betekent de tijdelijke zaken te christianiseren.

Feit is, dat veel publikaties, ook evenwichtige en goedbedoelde publikaties, vaak geen geloof hechten aan deze categorische stellingname inzake de politieke gebeurtenissen in Spanje. Blijft staan: er zijn ministers van het Opus Dei geweest. Daar valt niets op af te dingen.

De Italiaanse publikaties staan niet alleen. Het in het begin geciteerde Pro e contra Franco besluit zijn berichtgeving aan de hand van een boek dat heftig tegen Franco en de Kerk tekeer gaat. Het is duidelijk, dat dit werk van Jesús Ynfante5 om politieke redenen in de Spaanse taal in Parijs verschenen is. Het gebeuren wordt in deze bron als volgt weergegeven: «De mensen van het Opus Dei zijn in het Spaanse overheidsapparaat gepenetreerd in opeenvolgende stadia. Voor 1951 hebben zij op het terrein van opvoeding en natuurwetenschappelijk onderzoek bijna alle universitaire leerstoelen gemonopoliseerd. Na die datum bereikten zij het niveau van de directeuren-generaal van enige departementen [...]. Nadien hebben ze sinds 1957 ministers, met name ministers van economische zaken, gehad, totdat in 1969 de vorming van een zogeheten homogene regering in volle omvang het politiek monopolie van het Opus Dei in Spanje aan het daglicht bracht.»6

Staat dat vast? We zullen de mist van het «men-zegt» laten optrekken en zien hoe de feiten liggen. Niets is zo welsprekend over de «indrukwekkende suprematie van het Opus Dei in de Franco-regeringen» als louter cijfers. Tussen 1939 en 1975 heeft Franco in de loop van negen kabinetten 116 ministers benoemd, slechts acht van hen waren lid van het Opus Dei. Zij behoorden tot verschillende politieke richtingen. Het eerste Spaanse kabinet waarin een lid van het Opus Dei zitting had, werd benoemd op 25 februari 1957. Acht van de 116 ministers in een periode van veertig jaar. Van deze acht stierf er een drie maanden na zijn benoeming en vier anderen hebben slechts een kabinetsperiode volgemaakt.

Goed, we gaan verder. Een ander uit de toon vallend gegeven wordt gevormd door leven en werk van Rafael Calvo Serer, universitair docent, intellectueel, uitgever en redacteur van tijdschriften, een van de meest bepalende persoonlijkheden in het naoorlogse Spaanse culturele leven. Hij is lid van het Opus Dei en hij wordt een liberaal monarchist, en verklaard tegenstander van Franco. In 1953 wordt hij uit de Consejo Superior de Investigaciones Científicas geroyeerd, omdat hij in Parijs een essay met kritiek op het Spaanse binnenlands beleid van de regering gepubliceerd had. In 1966 wordt hij uitgever van het dagblad Madrid, tot het vijf jaar later door de censuur een verschijningsverbod opgelegd krijgt. Calvo Serer die al een aantal beschuldigingen en processen het hoofd heeft moeten bieden, ziet zich genoodzaakt de wijk te nemen naar Parijs. Toen hij naar Spanje terugkeerde, werd hij geconfronteerd met grote problemen en was het hem onmogelijk zijn blad opnieuw uit te geven. Hij zou, samen met onder meer Santiago Carillo, secretaris van de Spaanse communistische partij, tot de grondleggers van de Cosejo Democratico behoren, die ondergronds voorbereidingen trof voor de democratie in Spanje.

Een ander lid van het Opus Dei, Antonio Fontán, was als directeur aan de krant Madrid verbonden. Hij beschrijft de sfeer rond het blad als volgt: «Wij van de krant Madrid zagen ons als de pleitbezorgers van de vrijheid in het openbare leven, vooral van de vrijheid van politieke vereniging, vrijheid van vakbond en meningsuiting [...] Men was fundamenteel voorstander van de invoering van de parlementaire democratie, vrije verkiezingen en een meerpartijenstelsel. De vrijheid moest niet stukje bij beetje toegelaten worden, maar allesomvattend..»7 Het is misschien wel goed op te merken, dat Fontán, hoogleraar klassieke talen, een van de belangrijkste opponenten van Franco, in het veranderde tij van het post-Franco tijdperk tot senator gekozen werd en vervolgens tot voorzitter van de senaat. In die hoedanigheid speelde hij een beslissende rol bij de totstandkoming van de democratische Grondwet van Spanje.

Hetzelfde kan gezegd worden van het nieuwsagentschap Europa Press en de krant El Alcázar (oplaag 100.000), waaraan destijds, en ook nu nog, in Spanje zeer bekende journalisten verbonden waren. Een stuk of tien van de tweehonderd waren van het Werk. Europa Press werd herhaaldelijk het leven zuur gemaakt en in 1967 werden uitgever en redactie van El Alcázar op schandelijke wijze buitenspel gezet.

Een ander lid, Antonio Fontán, was een van de belangrijkste opponenten van Franco

Madrid, Europa Press en El Alcázar werden door velen beschouwd als instellingen van het Opus Dei. En ook vandaag de dag zijn er nog mensen die dat denken. Toch had de uitsluiting van deze publiciteitsmedia plaats, toen andere leden van het Opus Dei deel uitmaakten en sleutelfiguren waren van de regering van Franco. Hoe valt dat te rijmen met het beeld van een Opus Dei dat tijdens dat regime zou streven naar een politieke alleenheerschappij?

Vlak voordat hij aan kanker overleed, schreef Calvo Serer een korte autobiografische aantekening, waarin hij onder meer zei: «Ik ben nooit ideoloog van het Opus Dei geweest en had dat ook nooit kunnen zijn. Als ik al zoiets heb als een ideologie, is het mijn eigen intellectuele overtuiging, mijn persoonlijke culturele, politieke en beroepsmatige opvatting die niets van doen hebben met de doctrine van het Opus Dei die zich beperkt tot het louter spirituele. [...] Het is onzin over een interne breuk binnen de hiërarchie van het Opus Dei te spreken, als ik met andere leden van het Werk van mening verschil over de politiek of mijn werk. Ieder lid van het Opus Dei gaat te werk naar de ingevingen van zijn eigen persoonlijk geweten, nooit volgens het geweten van een ander. Ieder handelt in volstrekte persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Noch enig geestelijke leidsman, noch enig priester van het Opus Dei zal iets anders dan geestelijke raad geven, en ook dan behoudt men de vrijheid die op te volgen of niet.»8

Interne breuk? Er is vast wel iemand in Spanje geweest die gedacht en gezegd heeft, dat er, gezien de evident tegengestelde stellingnamen van het ene en het andere lid van het Opus Dei op zijn minst twee stromingen moesten zijn. Maar dat stemt niet overeen met het ingeroeste beeld van een eenheidsstrategie, waarin de onderscheiden leden de uitvoerders zijn van een geheim programma voor het veroveren en behouden van de macht.

Wat nu? Is het Opus Dei een monolitische groepering of een innerlijk verdeelde reus? Of hebben toch de leden gelijk, die van mening zijn, dat zij ieder vanuit hun eigen positie handelen naar hun eigen inzichten?

Om de informatie te vervolledigen moeten we verwijzen naar een ander soort literatuur, waarin ontkend wordt, dat het Opus Dei politieke doeleinden zou hebben, maar juist om tegenovergestelde redenen: «In feite heeft het Opus Dei geen politiek program [...] en beschikt het ook niet over de vereiste ideologische instrumenten om de autonomie van het politieke denken en het daaruit voortvloeiende pluralisme theologisch te onderbouwen. Binnen het Opus Dei bestaat er feitelijk een impliciete scheiding tussen godsdienst en politiek. Aan deze van elke ideologie ontdane opvatting over politiek als «vaardigheid» beantwoordt een verinnerlijking van een geloof van puur burgerlijke aard. Paradoxaal volgt daaruit, dat de armoe aan politiek van het Werk juist zijn plaats en rol binnen het franquisme bepaald heeft.»9

Met andere woorden, men verwijt het Opus Dei het ontbreken van een oppermachtig plan, en de theoretische luciditeit om dit op te stellen en door te voeren. Zeker is, dat het uiteindelijk moeilijk is geloof te hechten aan iemand die De Weg omschrijft als «een opsomming van banaliteiten, devoties en traditionele vroomheid», en het boek beschouwt als «een geschrift dat het meest elementaire theologische bewustzijn ontbeert».10

Laten we het woord geven aan een andere partij terzake. Rodolfo Martín Villa was directeur-generaal van het ministerie van industrie in de periode waarin Gregorio López Bravo, lid van het Opus Dei, minister was. Bij gelegenheid van het overlijden van deze laatste bij een vliegtuigongeval in 1985 schreef Martín Villa: «Ik ben niet van het Opus Dei, ook al deed dat verhaal de ronde, omdat verondersteld werd, dat elke directeur-generaal of vooraanstaande medewerker van een minister van het Werk noodzakelijkerwijze tot die organisatie moest behoren. Toen ik toetrad tot de ploeg van het ministerie van industrie leefde ikzelf ook in die veronderstelling. Ik meende, dat allen van het Opus Dei waren, toen bleek dat allen op een na, net als ik, het niet waren.»11

In het republikeinse Spanje werden in het begin van de burgeroorlog meer dan zesduizend priesters vermoord, onder wie dertien bisschoppen

Iets daarboven vermeldt hij: «In 1968 werd er bij de begrotingsbehandeling een amendement ingediend tegen de financiële steun voor de Universiteit van Navarra. Ik stemde voor. Het amendement werd aangenomen, met als gevolg dat de steun werd ingetrokken [...] Gezien de tijdsomstandigheden zou men zich kunnen voorstellen, dat een minister van het Opus Dei zijn directeur-generaal die in zijn hoedanigheid van parlementslid tegen de belangen van de Universiteit van Navarra gestemd had, op het matje geroepen zou hebben. Ik zeg niet, dat het tot ontslag had kunnen leiden, maar een reprimande had er toch wel in gezeten. De dag daarna at ik met hem. Ik vermeldde het voorval als de gewoonste zaak ter wereld en zette mijn argumenten uiteen. Hij luisterde en nadien was er niet de minste schaduw over onze relatie.»12

Een wijdverbreide opvatting, zonder dat er een feit aangetoond is. Waar ligt de waarheid? Om dit verder uit te pluizen is het nodig ons blikveld wat te verruimen, want het uiteindelijke probleem betreft niet het Opus Dei en het Franco-regime, maar de betrekkingen van Franco en de zijnen met de Spaanse kerkelijke hiërarchie. De eerste opvolger van de stichter in de leiding van het Opus Dei, monseigneur Álvaro del Portillo, prelaat van het Werk, zegt er het volgende over: « Wat betreft het franquisme moet erop gewezen worden, dat het einde van de Spaanse burgeroorlog de wederopstanding betekende van het kerkelijk leven, van de katholieke organisaties en scholen, en een duidelijke positiebepaling van de hiërarchie ten gunste van Franco, die in bepaalde kringen gezien werd als de ‹man van de Voorzienigheid›. Ik hoef er bijvoorbeeld alleen maar op te wijzen, dat men bij het beëindigen van het conflict aan de gevels van kathedralen en kerken het wapenschild van de Falange ophing met het opschrift ‹Caidos por Dios y por España ¡presentes!›, Gevallenen voor God en Spanje: present. De stichter heeft bij verschillende gelegenheden zijn stem verheven tegen een dergelijk misbruik.»13

Antonio Fontán schrijft hierover: «Het autoritaire regime van Franco had in het begin weinig serieus verzet van katholieke zijde te duchten. Bovenal, omdat het optreden van het overwonnen Volksfront nog vers in het geheugen lag, dat een gruwelijke vervolging van de Kerk ontketend had. In het republikeinse Spanje werden in het begin van de burgeroorlog meer dan zesduizend priesters vermoord, onder wie dertien bisschoppen [...]. Toen Franco de macht overnam, kwam er een eind aan de politieke discriminatie van de Kerk. Men begon kerken en kloosters te herbouwen, die in puinhopen veranderd waren. De jezuïeten kregen weer de goederen in handen die de republikeinse regering gevorderd had. Veel privé-scholen, grotendeels op confessionele grondslag, werden gelijkgesteld met staatsscholen. In de klaslokalen kon men weer een kruisbeeld ophangen. Het civiele huwelijksrecht werd weer in overeenstemming gebracht met de canonieke bepalingen. Zo konden de katholieken na een tijd van zware beproeving opnieuw vrij ademhalen, waar het ging om hun godsdienstige belangen. Hier bleef het echter bij, als men in de gaten houdt, dat het regime van de Generalissimo met autoritaire hand de individuele vrijheden uitrukte of beknotte: met name de vrijheid van vereniging en vergadering, de vrijheid van meningsuiting en drukpers. Dat er geen massaal verzet tegen Franco kwam, is ongetwijfeld het gevolg van de teruggekeerde rust voor de godsdienst, maar ook van de algemene afmatting die volgde op de burgeroorlog.»14

«De volmaakte staat is voor ons de katholieke staat. Het is ons niet genoeg dat een bevolking christelijk is, opdat de christelijke moraal nageleefd wordt. Daartoe zijn wetten nodig die dit uitgangspunt handhaven en misbruik aanpakken. De kloof en het grootste verschil tussen ons stelsel en het nazisme-fascisme is het katholieke karakter van het regime dat thans het lot van Spanje bepaalt. Geen racisme, geen godsdienstvervolging, geen gewetensonderdrukking, geen imperialisme over buurlanden, niet de geringste zweem van gruweldaden steken de kop op onder het geestelijk en katholiek gevoel dat ons leven richting geeft.» Dit zijn woorden van Francisco Franco in zijn toespraak van 14 mei 1946.15 Tot slot: «De houding van de roomse en Spaanse kerkelijke hiërarchie tegenover het Franco-regime in de periode 1936-1962 zou in drie woorden samengevat kunnen worden: erkentelijkheid, dankbaarheid, steun».16

Op dit punt aangekomen moet er nog een overweging aan toegevoegd worden. In het Spanje uit de Franco-tijd is het moeilijk een persoon te vinden die een rol in het openbare leven speelt en niet katholiek is.

Het was niet alleen een kwestie van fatsoen, maar het is duidelijk, dat het in deze totalitair-godsdienstige staat niet mogelijk was in de politiek iets te betekenen en er openlijk voor uit te komen niet katholiek te zijn. Bovendien is het een feit, dat dit geloof beleden en gepraktiseerd werd. Op 31 mei 1964 werd er in Madrid een openbare bijeenkomst met een merkwaardig karakter bijeengeroepen: het bidden van de rozenkrans. Er namen meer dan een miljoen mensen aan deel, en de vice-voorzitter van de regering bad het eerste tientje voor. Onder de aanwezige autoriteiten waren de erfprins en zijn echtgenote nadrukkelijk aanwezig. Toen een journaliste hem naar zijn mening over het initiatief vroeg, zei Juan Carlos: «Dit is een persoonlijke innerlijke daad, ook al doen er een miljoen mensen aan mee».17

Wie niet begrijpt, dat het katholieke geloof in Spanje onder Franco een algemeen gegeven was, begrijpt niets van dat land

Wie niet begrijpt, dat het katholieke geloof in Spanje een algemeen, onder het volk levend, spontaan gegeven was, ook in het Spanje onder Franco, begrijpt niets van dat land. Sterker nog, men zou kunnen zeggen dat de verhouding tussen Kerk en staat die tussen 1936 en 1975 zo sterk zou veranderen, goeddeels een verandering van en in de Kerk was -en dan eerder van de geestelijkheid dan van het gewone kerkvolk: de Kerk die nieuwe inspiratie en inzichten kreeg door Vaticanum II en die, zoals overal ter wereld, een proces van secularisering onderging.

Katholieken trof je overal aan, binnen de regering en daarbuiten: het geloof is domweg geen onderscheidend element. Dat verklaart onder meer, waarom er in Spanje nooit de behoefte aan een katholieke partij is gevoeld.

Op 1 juli 1937 hebben de Spaanse bisschoppen, op twee na, gezamenlijk een open brief met de volgende strekking ondertekend: «Ondanks haar vredelievende geest en haar verlangen oorlog te vermijden en er geen deel aan te nemen, kon de Kerk van Spanje niet lijdelijk toezien in de strijd. Enerzijds wordt God aan de kant gezet, [...] berokkent men de Kerk zelf een enorme schade, in haar mensen, in haar aangelegenheden, in haar rechten, op een wijze die misschien geen precedent kent in de geschiedenis. Anderzijds hebben we te maken met de gewetensvolle inspanning van hen die strijden voor het behoud van de oude Spaanse en christelijke geest. Wij bevestigen, dat de burger-militaire opstand een dubbele oorsprong heeft: het patriottisch gevoel, dat in de opstand de enige weg zag Spanje overeind te helpen en te behoeden voor een definitieve ondergang; en het godsdienstig gevoel dat de opstand beschouwde als de kracht die de vijanden van God onmachtig zou maken.»18

Tussen 13 en 17 september 1971 had in Madrid de eerste gezamenlijke vergadering van bisschoppen en priesters plaats. Motie 34 werd om formele redenen niet goedgekeurd, maar wel had een meerderheid vóór gestemd. In de motie wordt gezegd: «Wij erkennen nederig en vol schuldbesef, dat wij destijds niet werkelijk de dienaren hebben weten te zijn van de verzoening in de boezem van ons volk dat verdeeld was door een broederstrijd».19

Het lijdt geen twijfel, dat het elimineren van de Kerk een van de allereerste doelstellingen van de republikeinse partij was en dat hun tegenstanders, de nacionales, de katholieken en hun bisschoppen meer garanties voor overleven en vrijheid boden. Op dezelfde wijze zocht en vond de Alzamiento met Franco aan het hoofd in het kerkelijk kamp een legitimatie en onderhield er na de oorlog een bevoorrechte relatie mee. In het concordaat van 1953 werd bijvoorbeeld geregeld, dat de bisschoppen ten overstaan van generaal Franco een eed moesten afleggen: «Ik zweer tegenover God en de heilige evangeliën, dat ik het staatshoofd en de regering zal hoogachten en door mijn clerus zal doen hoogachten, overeenkomstig de Spaanse wetten».20

Het is dan ook begrijpelijk, dat degenen die zich verzetten tegen het regime, in de Kerk de sterkste steunpilaar van hun politieke vijand zagen.

De Spaanse bisschoppen waren Franco dankbaar voor de steun die hij verleend had en waren niet zuinig in hun steun, waarin zij zelfs verder gingen dan de voorzichtigheid gebood (en ondanks enkele waarschuwingen vanuit het Vaticaan); in feite was aan de ene zijde niet iedereen katholiek en waren er aan de andere zijde ook weer wel katholieken. In deze situatie was de Kerk niet onpartijdig; en dat levert haar nog steeds kritiek op niet alleen van talrijke «democraten», maar ook van «revanchistas» van links.

«In die situatie», schrijft monseigneur Del Portillo, «moest de Vader, ook al erkende hij Franco’s verdiensten voor het bereiken van de vrede, twee gevaren zien te ontwijken: enerzijds een misbruik van het geloof door bepaalde groepen die van mening waren, dat zij als enige de katholieken in het openbare leven vertegenwoordigden, anderzijds de neiging van bepaalde katholieke kringen de publieke macht als sterke arm te gebruiken: kortom, de twee kanten van het klerikalisme.»21

Tegen deze achtergrond moet de nieuwheid van het Opus Dei worden begrepen, een instelling die gewone christenen een vorming biedt waardoor zij in staat zijn God te zoeken in hun arbeid, zonder ‹groepsvorming›, zonder hun geloof met een etiket uit te dragen, maar door hun voorbeeld. De leden van het Opus Dei die beslissen in de politiek te gaan,’ op het totaal zijn het er niet veel, in plaats van een ander vak te kiezen, hebben met heel wat onbegrip te kampen gehad, voor zover wij dat kunnen beoordelen. Ik noem hier wat voorbeelden om de lezer zoveel mogelijk materiaal te geven; het is duidelijk, dat in werkelijkheid de motieven elkaar soms overlappen en doorkruisen.

De nieuwheid van het Opus Dei: christenen in staat stellen God te zoeken in hun arbeid, zonder ‘groepsvorming’, zonder hun geloof met een etiket uit te dragen

Het meest in het oog springend is allereerst het onbegrip van de tegenstanders van Franco en van de Kerk. Zij hadden voor hun aanvallen op het Opus Dei geen excuus nodig. En vanuit hun standpunt gezien is het ook zeker niet vanzelfsprekend dat «sommige» leden van het Werk, uitgesproken katholieken, het regime op persoonlijke titel steunden, terwijl maar heel weinig katholieken in die omstandigheden op persoonlijke titel te werk gingen. Zo wordt Alberto Martín Artajo, voorzitter van de Katholieke Actie in Spanje op 25 juli 1945 minister van buitenlandse zaken in de nieuwe regering. Voordat hij zijn ambt aanvaardt, vraagt en krijgt hij toestemming van de kerkelijke autoriteiten.

Voorts, de nieuwe loop van de politieke gebeurtenissen zint de Falange helemaal niet; zij verliest haar absolute meerderheid op politiek gebied met de komst van de Fuero de los Españoles, de steeds hechtere band tussen het regime en de kerkelijke hiërarchie en de vorming van de nieuwe regering die grotendeels uit katholieken bestaat.22

Het verzet blijft en neemt in de loop van de jaren toe. Een van de leden van het Opus Dei die tot de «technocratische» ministers behoorde op het moment van de ommezwaai in 1957, Laureano López Rodó, vermeldt in zijn memoires het gevoel van jaloezie dat binnen de kring der falangisten heerste. Hij schrijft: «De falangisten zaten vol onbegrip [jegens het Opus Dei]. Hoewel het veel later verscheen, 5 februari 1964, citeer ik hier een artikel dat onder de titel: ‹Het Opus Dei› in Pueblo verscheen, omdat het een mening weergeeft die in deze kringen wijd verbreid is. Daarin wordt gezegd: ‹Van de ene op de andere dag traden er nieuwe mannen naar voren, zonder enige politieke ervaring›, en men begrijpt niet ‹hoe de leden van het Opus Dei voor zulke belangrijke posten werden gekozen, als zij niet door een hecht samenhangend orgaan worden gesteund›, hoewel enkele paragrafen erboven nog wordt gezegd: ‹Wij kennen talrijke leden van het Opus Dei en hebben grote achting voor hen, vanwege hun opleiding, hun kwaliteiten en hun initiatieven›. Logischer zou zijn geweest om dan de conclusie te trekken, dat zij deze posten hadden bereikt dankzij hun capaciteiten en verdiensten, zonder een ‹hecht samenhangend orgaan› nodig te hebben.»23

López Rodó geeft vervolgens een uiterst logische analyse. Hij begint met uit te leggen, dat de Falange als politieke partij zijn eigen apparaat heeft en op de macht mikt; de vergissing van de falangisten is, dat zij alle anderen een vergelijkbare structuur en doelstellingen toedichten. De leden van het Opus Dei die zich met politiek bezig houden, zijn daarentegen voor het grootste deel «mensen met een vrij beroep»: een half dozijn van de vele specialisten die Franco in die periode te hulp heeft geroepen; bovendien hebben zij de gewone weg afgelegd alvorens de hoogste ambten te bereiken.

Het zou trouwens merkwaardig zijn als geen enkel lid van het Opus Dei in Spanje in de politiek actief zou zijn geweest ten tijde van Franco. «Men zou dan hebben kunnen denken, dat het Opus Dei activiteiten in het openbare leven of een bepaalde politieke richting verbiedt, terwijl in werkelijkheid de leden volstrekt vrij zijn zich te gedragen zoals het hun goeddunkt, waarbij ieder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid heeft».24

En wat tot slot de persoonlijke keuzes betreft, deze zouden niet gevarieerder kunnen zijn: «Er werd ook het volstrekt ongegronde gerucht verspreid, dat de leden van het Opus Dei die in de politiek actief waren, een homogene groep zouden vormen. Het is echter duidelijk dat, gezien de volledige vrijheid die ieder op politiek gebied wordt gelaten, hun opvattingen en houdingen vanzelfsprekend zeer verschillend waren. Zo behoorden Fernando Herrero Tejedor, Javier Domínguez Marroquín en José Ramón Herrero Fontana tot de falangisten; Juan María de Araluce Villar en Pedro Mendizábal Uriarte tot de traditionalisten; Mariano Navarro Rubio tot de syndicalisten. Hermenegildo Altozano Moraleda, Antonio Fontán Pérez en Florentino Pérez Embid maakten deel uit van het Consejo Privado van de graaf van Barcelona en Gregorio López-Bravo de Castro, Vicente Mortes Alonso en ikzelf waren voorstanders van het herstel van de monarchie in de persoon van Don Juan Carlos de Borbón; sommigen waren politiek onafhankelijk en anderen verzetten zich tegen het regime, met als meest vooraanstaande figuur Rafael Calvo Serer».25

In de loop van de volgende jaren ontketende de Falange een ware hetze tegen het Opus Dei terwille van de eigen politieke belangen, en deze is grotendeels de oorsprong van de zwarte mythe. Zoals de meest recente geschiedschrijving benadrukt, was het inderdaad onvermijdelijk, dat de Falange zich tegen deze jonge technocratische ministers zou verzetten, die een klimaat en een cultuur nastreefden die mijlenver afstonden van de manier waarop traditioneel in Spanje over de staat werd gedacht en met de macht werd omgegaan: zij stelden een opvatting en aanpak in Europese trant voor, die de probleemloze wijziging van het politieke systeem zouden inleiden.

Antonio Fontán, die men niet van sympathieën voor het regime kan verdenken, beschrijft de situatie als volgt: «[Het streven naar meer vrijheid] zou uitlopen op een lang conflict met de onverzettelijke vertegenwoordigers van de Falange, de ene partij, waarop Franco in het begin steunde, zonder haar echter onbeperkte macht te geven. [...] De economische situatie van het einde van de jaren vijftig werd steeds kritieker en Franco zocht wanhopig naar vakmensen die in staat zouden zijn het land weer op de been te helpen, dat deels ten onder was gegaan aan de planeconomie van de Falange, die zelf ook in een crisis zat. Uiteindelijk deed hij een beroep op enkele waardevolle nieuwe mensen die een gespecialiseerde opleiding in de Verenigde Staten en de Duitse Bondsrepubliek hadden genoten en die hem in staat leken de economische hervormingen door te voeren die steeds maar weer op de lange baan werden geschoven. Afgezien van andere katholieken, bevonden zich onder hen een paar leden van het Opus Dei, zoals Alberto Ullastres, de toekomstige minister van economische zaken en Navarro Rubio, toekomstig minister van industrie. Als onafhankelijke politici werden zij het mikpunt van de Falange-ambtenaren die de benoeming van deze nieuwe economische deskundigen met grote argwaan ontvingen. Zij gaven hun de scheldnaam «technocraten»; men verweet hun de ideologie van de Falange niet te delen en onder het mom van economische hervormingen de politiek te willen veranderen. In feite hebben heel wat katholieken «binnen het systeem» hun steentje ertoe bijgedragen, dat het recht op persoonlijke vrijheid meer en meer erkenning vond. Geërgerd over de liberale tendensen, ontketende de Falange uiteindelijk een georganiseerde campagne tegen het Opus Dei, dat door de kringen binnen die eenheidspartij als een vruchtbare voedingsbodem voor hervormingsgerichte uitingen werd beschouwd.»26

Dat is de verklaring voor de tegenwerking van de Falange. Een blijk daarvan is nog te vinden in een brief die monseigneur Escrivá op 28 oktober 1968 aan minister José Solis, hoofd van de Falange, schreef. De publikatie van die brief werd in Spanje verboden.27 Hij is in zijn geheel opgenomen in Intervista sul fondatore dell’Opus Dei. De schrijver vraagt zonder omhaal van woorden, of er «een einde gemaakt kan worden aan die campagne tegen het Opus Dei, gezien het feit dat het Opus Dei nergens verantwoordelijk voor is»28.

Er zijn ook ingewikkelder zaken aan de orde geweest, zoals de «affaire Matesa», een internationale financiële kwestie, die enige leden van het Opus Dei hun ministerspost kostte. De zaak had onduidelijke achtergronden en er werd door Franco korte metten mee gemaakt. Ook bij die gelegenheden kwam de instelling ter sprake. Tot diegenen die de waarheid een slechte dienst hebben bewezen, behoren helaas ook enkele niet-Spaanse historici en journalisten, die zich herhaaldelijk en met vuur hebben geuit in bewoordingen die niet met de werkelijkheid overeenstemmen. Achteraf bezien kan men er misschien om lachen, maar op die manier zijn er misverstanden bestendigd die vermeden hadden kunnen worden. Gómez Pérez noemt enkele voorbeelden: volgens de New York Times behoorde minister Fernández de la Mora tot het Opus Dei; volgens Le Nouvel Observateur was Carrero Blanco lid van het Werk; Max Gallo, de veel aangehaalde historicus van het franquisme zegt in zijn Histoire de l’Espagne franquiste, dat het Opus Dei eigenaar is van het dagblad Ya (dat toen in werkelijkheid in het bezit van de Spaanse bisschoppen was).29 Iedereen kan zich vergissen, maar als een journalist of een historicus zich vergist, hoe kan hij dan de feiten juist interpreteren?

Tot slot, de tegenstanders van het Werk zijn ook te vinden onder grote groepen van de klerikale wereld. Ook van die zijde komen er kritieken op de «ministers van het Opus Dei». Hier is het nog hachelijker en moeizamer om de werkelijkheid te zien zoals zij is.

Toen vooral aan het begin van de jaren vijftig het politieke leven in beweging begon te komen, werd er verzet tegen het regime gepleegd door mensen die zich daarom niet minder katholiek noemden: «In deze samenhang is het symptomatisch, dat men trachtte het katholicisme te benutten als een weg waarlangs verzet gepleegd kon worden. Een bewijs te meer, dat het christendom als ondergrond een gegeven was waarmee rekening gehouden moest worden.»30

Geërgerd over de liberale tendensen, ontketende de Falange een georganiseerde campagne tegen het Opus Dei

Maar dat was niet het grootste probleem. Na afloop van de oorlog gingen die mensen zich met de politiek bemoeien die bekend stonden als «officiële katholieken» en op goede voet met het regime en met de kerkelijke hiërarchie verkeerden, omdat zij een gemeenschappelijke politieke en sociale lijn voorstonden. Sommigen van hen hadden graag gezien, dat het Opus Dei als instelling, net als zijzelf, officieel zijn volledige steun aan de regeringspolitiek zou geven. Later, toen de betrekkingen met het regime wat bekoelden, vroegen zij om een vergelijkbare steun voor de ideeën van de oppositie. Steun die het Opus Dei in geen van beide gevallen kon en wilde geven, om redenen van spirituele aard en dankzij de vooruitziende blik van de stichter. Die redenen werden niet begrepen. Ook in dit geval zijn gemakkelijke simplificaties niet terecht: we hebben al gezien, dat er zowel in de regering als in de oppositie leden van het Opus Dei te vinden waren.

«Het is merkwaardig», schrijft Laureano López Rodó, «dat juist die zogenoemde ‹officiële katholieken›, die samenwerkten met het regime in de begintijd toen de vrijheid het sterkst werd beknot, zich er met afschuw over uitlieten, dat enkele leden van het Opus Dei ten tijde van Franco openbare ambten hadden bekleed. Het is echter niet hetzelfde minister te zijn in 1945 -het jaar waarin Alberto Martín Artajo tot de regering toetrad - of in 1951 - het jaar waarin Joaquín Ruiz Giménez minister van onderwijs werd -, toen er nog geen begin was gemaakt met de opbouw van de rechtsstaat, als in 1957 deel uit te maken van de regering, toen de wet van 1954 op gedwongen onteigening de verantwoordelijkheid van de overheid al had erkend en de wet op de bestuursrechtelijke geschillen van 1956 beroep mogelijk maakte tegen de door de regering, respectievelijk de ministers getroffen maatregelen of beschikkingen.»

In deze context vertelt Álvaro del Portillo een waar gebeurd verhaal. «Toen de stichter in 1947 voor enige tijd terugkwam naar Spanje om te onderzoeken, wat de beste manier was om de hoofdzetel van het Werk definitief in Rome te vestigen, had hij een ontmoeting met de minister van buitenlandse zaken, Martín Artajo. Voor deze in de regering kwam, was hij voorzitter van de Katholieke Actie in Spanje geweest. De Vader vertelde later, dat de minister tot zijn grote verbazing gezegd had, dat hij het onbegrijpelijk vond ‹hoe iemand zijn leven aan de Kerk kon wijden, ook door gehoorzaamheid gebonden, en tegelijkertijd de staat kon dienen›. De Vader legde hem uit, dat er op dit punt geen enkel probleem bestond, omdat de zaak waarop de aan de Kerk verschuldigde gehoorzaamheid betrekking heeft, voor alle katholieken gelijk is, of zij nu al dan niet hun leven aan God hebben gewijd: die gehoorzaamheid is van dezelfde orde, hoewel de grond ervan kan verschillen. Maar de minister slaagde er niet in dit te vatten. Hij gaf opdracht, dat er geen enkel lid van het Opus Dei, of zij die als zodanig werden beschouwd, tot het corps diplomatique mocht worden toegelaten, ook al hadden zij het betreffende examen afgelegd. Hoe onrechtvaardig ook, in verscheidene specifieke gevallen werd aan deze opdracht de hand gehouden.»31

Kort voor de zaligverklaring van Josemaría Escrivá wijdde het tijdschrift Famiglia Cristiana een uitvoerige bijdrage aan het Opus Dei, waarin ook het voorbehoud dat hier en daar over de opportuniteit van deze pauselijke beslissing werd geuit, aan de orde kwam. Het probleem van de veelbesproken samenwerking met het Franco-regime kwam eveneens ter sprake. Het artikel bevatte enkele citaten uit een tot op dat moment ongepubliceerde brief van monseigneur Escrivá aan Paulus VI, uit 1964. De auteur van het artikel schrijft: «Ook met betrekking tot de deelneming aan het maatschappelijke leven nam de kritiek op het Opus Dei toe, dat ervan werd beschuldigd de politieke en economische macht in handen te willen krijgen. Vooral in Spanje, waar een aantal leden onder Franco minister zijn geweest en sommigen bij financiële schandalen betrokken waren. In zijn brief aan Paulus VI antwoordt Escrivá: ‹Staat U mij toe, Heilige Vader, U eraan te herinneren, dat de leden van het Opus Dei, numerairs of surnumerairs, die op vooraanstaande of minder vooraanstaande regeringsposten met Franco samenwerken, dit vrijelijk en op eigen verantwoordelijkheid doen; en dit niet als technocraten, maar als politici, net als de anderen - ongetwijfeld veel groter in aantal - die op vergelijkbare posten hun samenwerking verlenen en die lid zijn van de Katholieke Actie, de Asociación Católica Nacional de Propagandistas enzovoort. Naar mijn weten is de enige die toestemming heeft gevraagd aan de hiërarchie om met de Franco-regering te mogen samenwerken, Martín Arajo geweest, de voorzitter van de Katholieke Actie in Spanje, die dertien jaar minister van Buitenlandse zaken was [...]. Toen professor Ullastres en professor López Rodó, beiden lid van het Opus Dei, tot minister van handel, respectievelijk tot directeur-generaal van het economisch planbureau werden aangesteld, las ik het nieuws van deze benoemingen, die zij in alle vrijheid hadden geaccepteerd, pas in de krant›.»

De beslissing van mgr Escrivá om in 1946 de centrale leiding naar de heilige Stad te verplaatsen laat duidelijk zijn wens zien zich verre te houden van de plaatselijke politiek

Het artikel gaat verder: «In de brief aan Paulus VI uit monseigneur Escrivá zijn bezorgdheid, al in 1964, over het post-Franco-tijdperk en verzet hij zich tegen de beschuldiging van Franco-gezindheid die tegen het Opus Dei was geuit. Hij vertelt de paus recentelijk met Spaanse kardinalen en bisschoppen te hebben gesproken, en ‹ik heb de vrijheid genomen tegen hen te zeggen, dat als er revolutie losbreekt, deze moeilijk zal zijn te stoppen; daarom - om met de woorden uit de heilige Schrift te spreken› moet gij niet denken dat een enkele zondebok voldoende is [te weten het Opus Dei, noot auteur]: gij zult allen zondebok zijn. Want er kunnen hele verzamelingen uitgebreide lofredes worden gebundeld die de bisschoppen publiekelijk tot het regime richtten, iets wat van mij niet kan worden gezegd, ook al erken ik dat Franco een goed christen is›. En hij voegt eraan toe: ‹Ik ben van mening, dat het opportuun is zo snel mogelijk een hervorming van het Spaanse regime voor te bereiden om anarchie en communisme te vermijden die de Kerk uit Spanje zouden wegvagen...› Hij acht het bestaan van een katholieke eenheidspartij voor Spanje niet nuttig, die lijkt hem eerder gevaarlijk, ‹daar zij weliswaar aanvankelijk de Kerk van dienst zal zijn, die uiteindelijk echter niet meer in staat zal zijn, zich ervan te bevrijden en op die manier een soort morele chantage te verduren zou krijgen. De vrijheid van de katholieken biedt ruimte voor een passende variant - niet een fragmentarisering - bij het oplossen van tijdgebonden, aardse problemen; tegelijkertijd zou die vrijheid tot een hechte eenheid kunnen leiden in zaken die voor de Kerk wezenlijk zijn, ver van groeps- en partijcompromissen›.»

«Het Italiaans van de brief», zo besluit het artikel in Famiglia Cristiana, «is niet erg fraai, maar de boodschap is duidelijk en actueel».32

Er bestond dus een verschil in visie tussen de opvattingen van de stichter van het Opus Dei en talrijke andere Spaanse katholieken, zelfs binnen de hiërarchie. En het schijnt inderdaad, dat de afkeer jegens het Opus Dei ook hieruit ontstaan is, dat de stichter en de leden van het Opus Dei bleven weigeren zich in de politiek te gedragen volgens een officieel uitgangspunt, zoals bij een eenheidspartij.

Bovendien moet opgemerkt worden, dat de beslissing van monseigneur Escrivá om in 1946 de centrale leiding zo snel mogelijk naar de heilige Stad te verplaatsen, duidelijk zijn wens laat zien voor de instelling een universaliteit te garanderen die vanaf haar ontstaan tot haar wezen behoort, en zich verre te houden van de soms zeer zware druk van de plaatselijke politiek. In een nummer van Limes, een geopolitiek tijdschrift, benadrukt Salvatore Abbruzzese dat «volgens Escrivá de Balaguer internationale expansie tot het wezen van het Opus Dei behoort, er zelfs een van de bestaansvoorwaarden van is».33 De stichter had inderdaad al in 1935-1936 het plan met apostolaat in andere Europese landen te beginnen, maar de burgeroorlog en vervolgens de Tweede Wereldoorlog noodzaakten hem zich tot Portugal te beperken. Direct na beëindiging van de vijandelijkheden trokken leden van het Opus Dei naar Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië, de Verenigde Staten en Mexico. Tegelijkertijd wendde men alle mogelijke middelen aan om pauselijke goedkeuring te verkrijgen, hetgeen overeenstemt met dit internationale karakter.

Gezien dit alles, ligt het voor de hand, dat de instelling zich er niet mee tevreden kon stellen, dat men haar als «een Spaanse aangelegenheid» bleef beschouwen, wat zij niet was, ondanks haar ontstaan in Madrid en haar eerste ontwikkelingen aan de andere zijde van de Pyreneeën.

Kritiek op een ‹eenheidspartijmentaliteit› die niet met de geest van het Opus Dei overeenstemt, komt herhaaldelijk in de geschriften van de zalige Josemaría Escrivá terug en blijkt ook duidelijk in de hierboven aangehaalde brief aan Paulus VI. Men treft er ook de oorspronkelijkheid en verscheidenheid van het Opus Dei in aan op het gebied van de «theologie van de leek», die in al haar volheid op het Tweede Vaticaans Concilie zou worden geuit.

Zo zegt monseigneur Escrivá bijvoorbeeld in een interview: «Ik ben altijd pijnlijk getroffen door de houding van mensen die er een beroep van maken zich katholiek te noemen, of die van mensen die het principe van de persoonlijke vrijheid, waarop de hele christelijke moraaltheologie is gebaseerd, niet willen erkennen. Een kenmerk van de geest van het Werk en van zijn leden is de Kerk en alle mensen te dienen, zonder zich van de Kerk te bedienen. Ik zie graag, dat de gelovige van Christus getuigt in zijn gedrag en niet alleen in naam, en dat hij daardoor een echt voorbeeld is van een christelijk leven.»34

Kritiek op een ‘eenheidspartijmentaliteit’ komt herhaaldelijk in de geschriften van de zalige Josemaría Escrivá terug

Op een ander moment zegt hij in dit interview, als antwoord op de vraag of doordat diverse leden van het Opus Dei in Spanje openbare functies bekleden, het Werk niet in zekere zin verpolitiekt is: «Daar is in Spanje en ook in andere landen geen sprake van. [...] Mensen die over apostolaat en geestelijk leven in militaire categorieën denken, zullen gauw geneigd zijn om de vrije en persoonlijke arbeid van christenen als een collectief handelen op te vatten. Maar ik wil hier nog eens duidelijk zeggen wat ik sinds 1928 voortdurend herhaald heb: de verscheidenheid van meningen en gedragingen in tijdelijke zaken en op die terreinen van de theologie waarover vrij gediscussieerd kan worden, vormt voor het Werk geen enkel probleem. Die verscheidenheid is een gegeven dat altijd zal bestaan, want het is een teken van goede geest en van een eerlijk leven, en een bewijs dat de rechtmatige mening van ieder lid gerespecteerd wordt.»35

Wat betreft de rechtstreekse contacten van de stichter van het Opus Dei met generaal Franco: het is bekend dat zij elkaar kenden en het zou ook moeilijk anders kunnen, gezien hun beider bekendheid. Als praktiserend katholiek was Franco op de hoogte van de goede naam van de stichter; deze werd zelfs eenmaal uitgenodigd om geestelijke overwegingen voor het staatshoofd te houden. Die gebeurtenis had zonder protocollaire rompslomp plaats. Peter Berglar zegt hierover: «Toen monseigneur Escrivá aan het begin van de jaren veertig en op aanwijzing van de bisschop van Madrid voor het Spaanse staatshoofd en zijn gezin een retraite hield, was hij van mening, dat hij de Generalissimo een dienst kon bewijzen met een overweging over de dood. Het staatshoofd luisterde aandachtig toe en zei, dat hij inderdaad al meer dan eens over zijn dood had nagedacht en dat hij de nodige maatregelen had getroffen. Het is duidelijk, dat op dat moment de dood voor hem een puur politieke aangelegenheid was [...]. Toen de bisschop van Madrid, monseigneur Eijo y Garay, Escrivá daarna weer ontmoette, was zijn reactie op deze kwestie: ‹Nu zult u nooit bisschop worden in Spanje... -Het is me genoeg priester te zijn›, antwoordde de stichter».36

Sta me toe dat ik een conclusie trek: redelijkerwijs mag men aannemen, dat het monseigneur Escrivá, die toen al in Rome verbleef, niet ontgaan kan zijn welke mening men buiten Spanje over Franco had, vanwege de Tweede Wereldoorlog, het ineenstorten van de Italiaanse en Duitse dictatuur en het algemeen anti-totalitair gevoelen, een mening die in Spanje daarentegen veel moeilijker te achterhalen was.

Als dat zo is, dan heeft hij willens en wetens het risico van het ontstaan van een internationale zwarte mythe genomen die in de daarop volgende jaren moeilijk zou zijn te weerleggen; het was de prijs die betaald moest worden voor het respect voor de vrijheid van diegenen van zijn zonen die in volle verantwoordelijkheid in de politiek de zijde van Franco hadden gekozen. Dit valt enigszins af te leiden uit hetgeen hij in 1964 tijdens een bezoek aan Spanje publiekelijk zei. Zijn woorden werden in Le Monde afgedrukt - destijds een bevoorrecht kanaal om berichten naar Spanje door te geven die in het land zelf niet konden geschreven worden: «Misschien ben ik alleen fanatiek, als het de vrijheid betreft. Hoe zou ik vrij kunnen zijn, als ik de vrijheid van anderen niet respecteer? In het Opus Dei heeft ieder zijn eigen mening, vooropgesteld dat hij Christus niet beledigt. Daarom zijn wij vrienden van de vrijheid van de gewetens».37

In het boek Entrevista sobre el fundador del Opus Dei wordt een nog latere ontmoeting met generaal Franco vermeld, een onderhoud waarom door de zalige Escrivá was gevraagd om de vrijheid van meningsuiting van een van de leden van het Opus Dei te verdedigen.

«Een lid van het Opus Dei had in een krantenartikel het Franco-regime bekritiseerd. De reactie van het gezag was zeer fel: de auteur moest het land verlaten. Hier kon de Vader niets tegen inbrengen. [...] Maar onder de vele beledigingen die dit lid van het Opus Dei te verduren kreeg, was ook de uitspraak dat hij ‹iemand zonder familie was›. Onze stichter reageerde als een vader die zijn kinderen verdedigt. Hij ging direct naar Spanje en vroeg een audiëntie aan bij Franco die hem meteen werd verleend. Zonder in te gaan op de politieke meningsverschillen, verklaarde hij onomwonden, dat hij niet kon toestaan, dat er van een van zijn kinderen werd gezegd, dat hij geen familie had: hij had een bovennatuurlijke familie, het Werk, waarvan hij zichzelf als de vader beschouwde. Franco vroeg hem: ‹En als hij in de gevangenis komt?› De Vader antwoordde, dat hij de beslissingen van het rechterlijk gezag respecteerde maar dat, als hij echt in de gevangenis zou worden gezet, niemand hem ervan kon weerhouden deze zoon alle geestelijke en materiële hulp te bieden die nodig zou blijken.»38

Monseigneur Del Portillo citeert ook de brief aan de paus uit 1964 en voegt er nog enkele interessante details aan toe: «Hij was uitermate bezorgd over het probleem van de opvolging van Franco. Hij aarzelde niet dit rechtstreeks aan de betrokkene te melden. Bovendien had hij getracht ook de bisschoppen die hem bezochten daarvoor te interesseren. De stichter ging echter niet in op de pogingen van het Vaticaan dat hem aanzette initiatieven in die richting te ontplooien. Hij wilde geen enkele bemiddelaarsrol spelen, want het behoorde niet tot zijn taak politiek te bedrijven. De Vader zelf zette op duidelijke wijze zijn standpunt uiteen in een vertrouwelijke brief die hij op 14 juni 1964 aan paus Paulus VI schreef.»39

Komen we op ons uitgangspunt terug. Aan de ene kant het Opus Dei, waar de stichter en alle leden eensgezind zijn in hun standpunt over de vrijheid en de verantwoordelijkheid van ieder van hen. Aan de andere kant een heleboel beschuldigingen, veronderstellingen en aantijgingen. Daartussen de feiten, die ten minste het voordeel hebben voor zichzelf te spreken. Laat ieder aan het einde van deze ‹reis› zijn eigen conclusies trekken.

Het lijkt me dat het in dit stadium wel toegestaan is een vraag te stellen, die enkele jaren geleden onvoorstelbaar was: en als het nu echt eens zo is? Als het Opus Dei nu echt dat bijzondere, eenmalige verschijnsel is, een instelling waaraan men zich alleen op puur geestelijke gronden verbindt en waar ieder voor zich tracht te doen wat zijn geweten hem voorschrijft? En als er in dit geval nu eens niets achter gezocht hoeft te worden? Als er nu eens niets anders is, punt uit?

Achter de opwinding van de sensatieberichten treedt een belangrijk en inhoudrijk fenomeen naar voren: het bestaat uit duizenden mensen die dag na dag in allerlei beroepen hun best doen Christus te leren kennen, Hem bekendheid te geven, Hem overal uit te dragen

Bij nadere beschouwing is dat nu juist het fascinerende aan het Opus Dei, te weten dat er een instelling bestaat, een instelling van de Kerk, die er niet op uit is te overheersen, die geen macht nastreeft. Die alles vraagt -«streef naar de heiligheid in eenheid met Christus»- en niet vraagt -«maak zelf uit hoe je moet handelen»-, en er zich toe beperkt de noodzakelijke geestelijke steun te verlenen. Een instelling waarvan de stichter zo’n vaderlijke figuur was dat hij het niet gek vond, een onderhoud met de Generalissmo te vragen alleen vanwege zijn liefde voor een van zijn zonen die men beledigd had.

De media hebben vele malen de aandacht gevraagd voor politieke of ten minste publieke aangelegenheden, waarbij leden van het Opus Dei betrokken waren. Maar die benadering is al te beperkt, zoals ik heb trachten aan te tonen. Achter de opwinding van de sensatieberichten treedt in het perspectief van de geschiedenis een belangrijk en inhoudrijk fenomeen naar voren: het bestaat uit duizenden en duizenden mensen die dag na dag in allerlei beroepen hun best doen een boodschap gestalte te geven die de stichter in een paar woorden samenvatte: «Jezus Christus leren kennen, Hem bekendheid geven, Hem overal uitdragen.»

Het is bijkomstig welk werk men verricht. Wezenlijk en zonder precedent is daarentegen de «christelijke werkelijkheid», die blijkt uit een ware mobilisering van mannen en vrouwen overal ter wereld die zich alle moeite geven in hun dagelijkse bezigheden de roep van het evangelie in al zijn volheid te beleven.

Noten

  1. Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie, 1977.
  2. Escrivá, Josemaría, Cammino, bezorgd door G. Rizzoni, Milaan 1972, blz 149-150.
  3. Berglar, Peter, Opus Dei (Leben und Werk des Gründers Josemaría Escrivá), Salzburg 1983.
  4. Geciteerd uit: Gómez Pérez, Rafael, El franquismo y la Iglesia, Madrid 1986, blz 187.
  5. Ynfante, Jesús, La prodigiosa aventura del Opus Dei, Parijs 1970.
  6. AAVV, Pro y contra Franco, Milaan 1972, blz 150.
  7. Antonio Fontán, Gegen den Raub der Freiheit, Opus Dei-Leute im Franco-Regime, in Deutsche Tagespost, 18 mei 1991.
  8. Diario de Navarra, Pamplona 20 april 1988.
  9. Alfonso Botti, Nazionalcattolicesimo e Spagna nuova, 1881-1975, Milaan 1992, blz 150.
  10. Ibid, blz 149.
  11. AAVV, Gregorio López Bravo visto por sus amigos, Madrid 1988, blz 181.
  12. Ibid, blz 180-181.
  13. Álvaro del Portillo, Intervista sul fondattore dell'Opus Dei, Milaan 1992, blz 33.
  14. Antonio Fontán, cit.
  15. Geciteerd door Rafael Gómez Pérez, cit., blz 50-51.
  16. Rafael Gómez Pérez, El franquismo..., blz 55.
  17. Ibid, blz 201.
  18. Kardinaal Gomá y Tomás, aartsbisschop van Toledo, Por Dios y por España 1936-1939, Barcelona 1940.
  19. Rafael Gómez Pérez, cit., blz 99.
  20. AAVV, Pro y contra Franco, cit., blz 99.
  21. Álvaro del Portillo, Intervista..., cit., blz 33.
  22. AAVV, Pro y contra..., cit., blz 131; veel informatie in: Rafael Gómez Pérez, El franquismo..., cit., blz 20-48.
  23. Laureano López Rodó, Memorias (dl. 1), Barcelona 1990, blz 97.
  24. Ibid, blz 98.
  25. Ibid, blz 99.
  26. Antonio Fontán, cit.
  27. Rafael Gómez Pérez, cit., blz 214.
  28. Álvaro del Portillo, Intervista..., cit., blz 37.
  29. Rafael Gómez Pérez, cit., blz 258.
  30. Ibid, blz 218.
  31. Álvaro del Portillo, Intervista..., cit., blz 34.
  32. Renzo Giacomelli, La santità nel bel mezzo della strada, in: Famiglia Cristiana, 8/1992, blz 54-57.
  33. Salvatore Abruzzese, Opus Dei e CL: due modelli di espansione geopolitica, in: Limes, juni-aug. 1993, blz 83-92, cit., blz 91.
  34. Vraaggesprek in Le Figaro, 1966, in: Gesprekken met mgr Escrivá, blz 99, Utrecht 1990.
  35. Ibid, blz 90-91.
  36. Peter Berglar, Opus Dei..., cit., blz 296.
  37. Rafael Gómez Pérez, El franquismo..., blz 258.
  38. Álvaro del Portillo, Intervista..., cit., blz 35.
  39. Ibid, blz 38.
 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller