Historici (Franco)
Start Omhoog Achtergrond (Franco) Historici (Franco) Media (Franco)

 

Start
Omhoog

Gegevens en uitspraken van historici die geen deel uitmaken van het Opus Dei

Franco en het Opus Dei

1. Mening van Franco zelf over het Opus Dei

Francisco Franco Salgado-Araujo, Mis conversaciones privadas con Franco, uitgeverij Planeta:

Franco vertelde me: «Voor mij staat vast, dat het Opus Dei zich niet in de politiek mengt maar zich alleen toelegt op het dienen van God door het goede te doen, door ieder van zijn leden het voorbeeld van goed gedrag te geven». (blz. 412)

Franco zei: «Het Opus Dei wordt aangevallen vanwege de medewerking die een paar leden ervan mij verlenen als minister of in andere functies. Als die organisatie haar leden het recht zou ontzeggen dergelijke functies te aanvaarden, dan zou men haar bejubelen». (blz. 475)

Meningen over de groep ministers met de verzamelnaam ‘technocraten’ en hun band met het Opus Dei

Gonzalo Fernández de la Mora, Río arriba, autobiografía, uitgeverij Planeta, 1995:

«Sinds 1957 gebruikten journalisten de term ‘technocraten’ om een vermeende sector mee te karakteriseren. Men zegt, dat de regering van 1969 een blijk was van de hegemonie van de zogeheten technocraten. Ministers die aan het hoofd van hun departement kwamen, omdat zij zeer goed in de materie ingevoerd waren, kenden we al sinds de eerste regering, maar zij werden door niemand technocraten genoemd. De uitdrukking die later gebruikt werd, lijkt me dubbelzinnig en weinig verhelderend. [...] Vanaf mijn eerste gesprekken met Franco en Carrero, die de definitieve lijst uitwerkten, kwam ik tot de slotsom, dat de belangrijkste doelstelling ervan was een groep daadkrachtige en trouwe mannen bijeen te brengen die zonder enig voorbehoud het herstel van de grondwettelijke monarchie zouden steunen in de persoon van don Juan Carlos van Bourbon. Dat is waar het om gaat bij die regering en wat haar onderscheidde van voorgaande.» (blz.174-175)

«Misleidend was ook de vereenzelviging van de voorstanders van een zakelijke politiek met leden van het Opus Dei, een instelling zonder politieke denominatie, hoewel alle Spaanse leden ervan, en dat waren er toen nog heel weinig, vanzelfsprekend achter de Gobierno de Burgos, de Regering van Burgos, stonden in een burgeroorlog waarin de republikeinse godsdienstvervolging was omgeslagen in een kruistocht.» (blz. 250-251)
.
George Hills, Franco. El hombre y su nación, uitgeverij Librería Editorial San Martín, 1968 (oorspronkelijk verschenen in het Engels):

«Het aantreden van twee of drie leden van die organisatie [het Opus Dei] in het kabinet van Franco was er de oorzaak van, dat er in commentaren over het Opus Dei werd gesproken als over een politieke partij. Aangezien het allemaal economen waren, hadden ze net zo goed kunnen spreken van een economische school. In feite waren noch hun politieke, noch hun economische opvattingen op elkaar afgestemd.» (blz.463, noot 14)
.
Jose María García Escudero, Vista a la derecha, uitgeverij Rialp, 1988:

«Aangezien in de praktijk niet alle leden van het Opus Dei die politiek actief waren, dezelfde en zeker geen gelijksporende maatstaven hanteerden en aangezien de overeenstemming in deze of gene maatstaf ook niet exclusief tot het Opus Dei teruggevoerd kon worden, geef ik er de voorkeur aan te spreken over ‘technocraten’ zonder daarmee naar welke godsdienstige instelling dan ook te verwijzen. Ik stel het zelfs liever zonder een etiket dat zo helemaal niet past bij de mensen op wie het wordt toegepast.» (blz. 232)
.
Manuel Jesús González González, La economía política del franquismo (1940-1970), uitgeverij Tecnos, 1979:

«De aanzet voor de omwenteling van 1957-1959 kwam van buiten, van de internationale organisaties en direct en indirect van de Verenigde Staten. Binnenslands was de economische situatie ernstig, maar op zich was dat niet voldoende aanleiding voor de onontkoombare omwenteling. [...] slechts enkele personen hadden hun zinnen gezet op een vlucht voorwaarts. Toen zij in conflict kwamen met traditionalistische politieke en ideologische elementen, braken zij het verzet en dreven een andere economische politiek door.
[...] Veel van de elementen met wie zij in conflict kwamen, dachten oprecht dat de operatie een verraad was aan het historische Franco-regime; een zeer behendige politieke manoeuvre om het regime om te vormen. [...] Deze technocraten gebruikten in hun taal het strikt noodzakelijke minimum aan verwijzingen naar de doctrinaire uitgangspunten van het regime. Dit wekte, natuurlijk, achterdocht en psychologische weerstand op.» (blz. 26)

«Dit aanvankelijke verzet ontaardde in de loop der jaren tot een ‘vendetta’ tegen de leden van het Opus Dei in de latere regeringen van het Franco-regime. Aangezien naar mijn inzicht de leden van het Opus Dei die in de politiek actief waren destijds, net als nu, over alle onderscheiden stromingen verdeeld waren, heb ik getracht de gewone taal op de meest exacte en overwogen manier te gebruiken, zodat deze mij bij het onderzoek kan helpen. Daarom leek het mij het meest zinvol de kleine groep politici en deskundigen die de stoot gaven tot de omslag van 1959, niet allemaal onder één bestaande politieke noemer te brengen, maar te spreken van liberalen of eerste technocraten van divers pluimage en met onderling verschillende overtuigingen en opvattingen met betrekking tot de godsdienst.» (blz.26, noot 5)
.
Brian Crozier, Franco. Historia y biografía, uitg. Magisterio Español, Madrid 1969, 2 delen (oorspronkelijk Franco. A biographical history, Londen 1967):

«In februari 1957, toen Ullastres en Navarro Rubio deel gingen uitmaken van de regering Franco verspreidde zich de beschuldiging, dat het Opus Dei erop uit was politieke macht te verwerven en daar uiteindelijk in geslaagd was. In deze bewoordingen lijkt de beschuldiging elke grond te missen, alleen al omdat ze gebaseerd is op een onmiskenbaar verkeerde opvatting over wat het Opus Dei is.
Het Opus Dei is – anders dan de vijanden ervan denken of zouden willen dat anderen dachten – geen politieke partij. Het is evenmin een politieke lobby en ook, in die optie, geen uitzendbureau voor politici. In februari 1957 ging Franco niet – zoals men bijna zou denken na het lezen van de commentaren uit vijandige hoek – naar de leiding van het Opus Dei met de mededeling: ‘Ik heb twee vacatures voor een paar technocraten. Stuur me een stel technocraten, opdat ik een keuze kan maken.’ Dat is helemaal niet de stijl van Franco, zelfs niet als het Opus Dei dat wel gewild zou hebben. Wat er gebeurde was veel simpeler en minder geheimzinnig. Franco had horen spreken over de intellectuele verdiensten van Ullastres en Navarro Rubio en ontbood hen. En toevallig waren zij lid van het Opus Dei. Tegelijkertijd hoorde hij spreken van de intellectuele en professionele verdiensten van Castiella en Gual Villalbí en ontbood ook hen. En toevallig waren zij geen lid van het Opus Dei.
Met andere woorden het Opus Dei was geen politieke groep waarbij men in de gunst kon komen door haar te laten delen in de macht, zoals bij de monarchisten, de Falange, het leger.» (blz.245)

«[...] Het Opus Dei biedt een brede verscheidenheid aan meningen. Rafael Calvo Serer, een van de meest vooraanstaande denkers van het Werk is bijvoorbeeld een enthousiaste monarchist, terwijl Ullastres koel blijkt te staan tegenover het herstel van de monarchie. Andere schakeringen van meningen zijn er, van het autoritarisme van rechts tot een christelijke sociaaldemocratie van links.» (blz. 246)
.
Paul Preston, Franco. A Biography, Harper Collins Publishers, Londen 1993:

«Het feit, dat López Rodó eveneens lid van deze instelling was, leidde tot de speculatie, dat de drie een geheim blok vormden dat zijn instructies kreeg van een geheim genootschap [...] De falangistische wrok in combinatie met een neiging om geloof te hechten aan geheime vrijmetselaarssamenzweringen, was de voedingsbodem voor het idee, dat er zoiets was als een katholieke vrijmetselarij of maffia.» (blz.669)

«De komst van de technocraten werd zonder onderscheid geïnterpreteerd als een plan van het Opus Dei om aan de macht te raken, of als een slimme zet van Franco om de ‘loze leemtes’ op te vullen. In feite was de komst van de technocraten noch geheimzinnig, noch geraffineerd, maar het pragmatische en niet geplande antwoord op een complex geheel aan specifieke problemen. [...] López Rodó werd naar voren geschoven door Carrero Blanco. De dynamische Navarro Rubio was een keuze van de Caudillo. Franco kende hem vanaf 1949. Hij was voor de vakbonden lid van de Cortes en werd sterk aanbevolen door de vertrekkende minister van landbouw, Rafael Cavestany.» (blz. 669)

«Zij stonden bekend als briljante en hardwerkende ambtenaren wie er meer aan gelegen was hoge functies binnen het staatsapparaat te verwerven dan aan het in praktijk brengen van het gedachtegoed van de Falange. Dat was absoluut een feit in het geval van mannen als López Rodó en Navarro Rubio. Hen werd verweten werd dat zij bovenal lid van het Opus Dei waren. Men kan echter beter zeggen dat zij deel uitmaakten van wat men de ‘bureaucratie van de nummers een’ noemde (zij die, toen ze nog jong waren, geslaagd waren voor de vergelijkende examens die toegang gaven tot de hogere ambten in de publieke dienst of tot universitaire leerstoelen). Andere vooraanstaande functionarissen van het Franco-regime in de jaren zestig, zoals Manuel Fraga en Torcuato Fernández Miranda, werden gewoonlijk beschreven als falangisten. [...] Interessant feit is, dat er in het begin van de jaren zestig meer spanning was tussen López Rodó en Navarro Rubio dan tussen López Rodó en Fraga.» (blz.863 in Spaanse editie)
.
Javier Tusell, Carrero. La eminencia gris del régimen de Franco, uitgeverij Temas de Hoy, 1993:

«De snelheid wekte bij de promotie van López Rodó de meeste verbazing. Maar vanuit andere gezichtshoeken bezien was daar niets vreemds aan. Een minister van justitie als Iturmendi had, uit hoofde van zijn portefeuille, voor het opstellen van de grondwet advies nodig van een hoogleraar publiek recht, staatsrecht, of administratief recht.» (blz.229)

«Het antwoord is veel genuanceerder dan de tot op heden gebruikelijke bewering in een of andere historiografie, waarin de de plotselinge opkomst van de zogeheten technocraten met banden met het Opus Dei beschreven wordt. Echt snel, zelfs astronomisch, was de opkomst van Laureano López Rodó [...]. De andere wijzigingen kwamen tot stand binnen de logica van het politieke systeem van Franco.» (blz. 232)

«De controversiële kwestie rond het aan de macht komen van mannen die betrekkingen hadden met het Opus Dei kan op een afdoend eenvoudige wijze worden opgelost: zij waren experts in disciplines die niet tot de specialisatie van Carrero behoorde, en het katholicisme van de laatste sloot vast en zeker aan bij het hunne.» (blz. 233-234)

Meningen over de aanwezigheid van leden van het Opus Dei binnen de oppositie tegen het Franco-regime

Pilar en Alfonso Fernández-Miranda, Lo que el Rey me ha pedido, Plaza & Janés, 1995:

«De verschillende oppositionele krachten tegen het Franco-regime, die zich openlijk buiten de staat ophielden, begonnen in 1974, toen het naderende overlijden van Franco begon door te schemeren; een proces van reorganisatie en toenadering dat hen in staat zou stellen de krachten te bundelen en als een front op te treden in de op handen zijnde politieke strijd.
In maart 1974 werd de Junta Democrática opgricht onder leiding van de Partido Comunista de España waarin verder opgenomen waren de Asociación Socialista de Andalucia, de PSI van Tierno, de PTE, CCOO, onafhankelijke radicalen (García Trevijano, Calvo Serer en Vidal Beneyto), wijkverenigingen en groepen intellectuelen.» (blz. 43)
.
Feliciano Blázquez, José Luis L. Aranguren. Medio siglo de Historia de España, uitgeverij Ethos, Madrid 1994:

«Oorspronkelijk liet Calvo Serer van zich horen via de pagina's van de avondkrant ‘Madrid’ die hij sinds 1966 hervormd had tot het strijdlustigste orgaan van de oppositie tegen Franco. Deze krant zou de facto vernietigd worden door de toenmalige minister van voorlichting en toerisme, Sánchez Bella.» (blz.136, noot)
.
Javier Tusell, Carrero. La eminencia gris del régimen de Franco, uitgeverij Temas de Hoy, 1993:

«Fraga werd inderdaad in de ministerraad geconfronteerd met verwijten van de kant van diegenen die dachten, dat de pers op hol geslagen was, met name door vragen van Alonso Vega en Carrero, de twee militairen die het dichtst in de omgeving van Franco verkeerden en tot wie López Rodó makkelijk toegang had. Maar tegelijkertijd nam Fraga waar dat er leden van het Opus Dei zitting hadden in de directies van de twee kranten die van de pers in de hoofdstad de meeste problemen gaven, ‘Madrid’ en ‘El Alcázar’.» (blz. 325)
.
Javier Tusell, Juan Carlos I. La restauración de la Monarquía, uitgeverij Temas de Hoy, 1995:

«Tegen het einde van mei 1968 kreeg de krant ‘Madrid’ voor het eerst met zware sancties te maken, en wel opschorting van de verschijning voor meerdere maanden. Binnen de Spaanse pers was deze krant in de loop der tijden de spreekbuis bij uitstek geworden van de niet met het regime sporende monarchie. De krant liet ook duidelijk de ommezwaai zien in de ideologie van zijn belangrijkste bron van inspiratie, Rafael Calvo Serer [...]. Dat hier het geval ‘Madrid’ genoemd wordt, komt doordat het verschijningsverbod het begin vormde van een serie maatregelen tegen de aanhangers van de monarchie.» (blz. 473-474)
.
Paul Preston, Franco. Caudillo de España, Grijalbo-Mondadori 1994 (oorspronkelijk: Franco. A Biography, Harper Collins Publisher, Londen 1993):

«López Rodó zei vlak na de kabinetswisseling tegen de Graaf van Ruiseñada, dat de plannen van de Tercera Fuerza, zoals die uitgewerkt waren door leden van het Opus Dei als Rafael Calvo Serer en Florentino Pérez Embid, tot mislukken gedoemd waren.» (blz. 883-884)
 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller