Le Tourneau
Start Omhoog Citaten Álvaro del Portillo Salvador Bernal José María Casciaro Le Tourneau Vraag & Antwoord

 

Start
Omhoog
Mgr. Dominique Le Tourneau
(Parijs, 1942) is afgestudeerd
in economie en management
aan de Ecole d' Études Supérieures
te Parijs en promoveerde in het
canoniek recht aan de Universiteit
van Navarra. In 1974 werd hij
priester gewijd. Hij is auteur van
verschillende boeken en diverse
artikelen in tijdschriften voor
canoniek recht en theologie.
dom.letourneau.free.fr

Uit: D. Le Tourneau*, Het Opus Dei. Spiritualiteit, organisatie en activiteiten, Tabor Brugge 1989, ISBN 90-6597-194-7, blz. 67-87

De beleving van de vrijheid in het Opus Dei

1. Het begrip vrijheid

Een van de karakteristieken van de geest van het Opus Dei, die dikwijls en met veel nadruk door de stichter naar voren is gebracht, is de liefde voor de vrijheid. Het gaat hier om een liefde voor de vrijheid die nauw verbonden is met de seculiere mentaliteit, zo eigen aan het Opus Dei, en die bewerkstelligt dat ieder lid vrij handelt in alle beroepsaangelegenheden en zaken van maatschappelijke of politieke aard. Ieder lid neemt, in overeenstemming met een goed gevormd geweten, de consequenties van zijn handelingen en beslissingen volledig op zich. Dit brengt hem ertoe het authentieke pluralisme ─ de verscheidenheid in al het menselijke ─ niet alleen te respecteren, maar er ook van te houden. Zodoende wordt het hiervolgende fragment uit de Verklaring van de Congregatie voor de Bisschoppen van 23 augustus 1982 ─ aanleiding hiertoe was de oprichting van het Opus Dei als personele prelatuur ─ in praktijk gebracht: “Wat hun opvattingen op het gebied van beroep, maatschappij, politiek, enz. betreft, genieten de leken-leden van de prelatuur, binnen de grenzen van het katholieke geloof, de moraal en de kerkelijke discipline, dezelfde vrijheid als de andere katholieken, hun medeburgers; de prelatuur identificeert zich derhalve niet met de beroepsactiviteiten, het werk op sociaal, politiek, wetenschappelijk terrein enz. van wie ook van haar leden.”1

“Met deze vrijheid van ons kan het Opus Dei nooit een soort politieke partij zijn”

Deze bewuste houding ten gunste van de vrijheid is niet het gevolg van menselijke overwegingen of van tactiek. Zij is het logisch resultaat van het feit dat alle leden zich er duidelijk van bewust zijn dat zij allen deel hebben aan de enige taak van de Kerk: de redding van de zielen. Het is waar dat het christelijk geloof enkele algemene morele principes biedt met betrekking tot het handelen in zaken van tijdelijke aard: het respecteren en verdedigen van het leergezag van de Kerk, rechtschapenheid en trouw in het handelen, begrip en respect ten aanzien van personen die afwijkende meningen hebben, ware vaderlandsliefde ─ niet een kortzichtig nationalisme ─, de bevordering van de rechtvaardigheid, offervaardigheid in dienst van de gemeenschap enz. Welnu, op grond van deze principes bepaalt een ieder zelf welke van de vele oplossingen hem de beste toeschijnt. Mgr. Escrivá zegt hierover: “Met deze gezegende vrijheid van ons, kan het Opus Dei nooit in het politieke leven van een land een soort politieke partij zijn. In het Werk is er plaats ─ en zo zal het altijd zijn ─ voor alle meningen die het christelijk geweten toestaat, zonder dat er van de kant van de bestuurders enige dwang mogelijk is.”2 Alleen de hiërarchie van de Kerk kan, als zij dat noodzakelijk acht voor het welzijn van de zielen, een bepaalde gedragsnorm opleggen aan alle katholieken samen. Dit programma van persoonlijke heiligheid en apostolaat in het dagelijks leven en in het bijzonder in de beroepssfeer, kan niet goed ten uitvoer worden gebracht zonder de vrijheid, die de waardigheid van de mens ─ geschapen naar het beeld van God ─ met zich meebrengt.

Het christendom is in zijn aard een godsdienst van vrijheid

De vrijheid is iets wezenlijks in het christelijk leven, mits een ieder zijn eigen verantwoordelijkheid op zich neemt. Het christendom is in zijn aard een godsdienst van vrijheid. Voor de stichter van het Opus Dei is dit een duidelijke zaak: “God wil dat men Hem dient in vrijheid ─ ubi autem Spiritus Domini, ibi libertas (2 Kor. 3, 17): waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid ─ en daarom zou een apostolaat dat niet de vrijheid van de gewetens respecteert, onjuist zijn.”3 Sommigen vrezen dat de verdediging van de vrijheid een gevaar voor het geloof zou inhouden. Dit is echter alleen het geval met een vrijheid die geen doel, geen wet, geen verantwoordelijkheid kent; kortom, een vrijheid die niets anders zou zijn dan ongebondenheid, een vrijheid die telkens datgene goedkeurt wat men verlangt en begeert, en die leidt tot de afwijzing van God. Dit is het gevolg van de vrijheid van geweten, hetgeen iets heel anders is dan de vrijheid van de gewetens.
Mgr Escrivá zei, in navolging van paus Leo XIII: “Ik verdedig met alle kracht de vrijheid van de gewetens, volgens welke niemand een ander schepsel mag verhinderen God die eer te brengen die Hem toekomt. De rechtmatige zucht naar waarheid moet geëerbiedigd worden. De mens heeft de zware plicht de Heer te zoeken, Hem te kennen en Hem te aanbidden. Maar niemand op aarde kan zich veroorloven zijn naaste te dwingen een geloof te praktiseren dat hij niet heeft. Evenmin mag iemand zich het recht aanmatigen degene die het geloof van God gekregen heeft, kwaad te doen.4

2. Beschuldigingen

De eerbied voor de vrijheid in zijn uiterste consequenties, zoals Mgr. Escrivá die in praktijk bracht en doorgaf vanaf het begin van het Opus Dei, werd niet altijd goed begrepen, aanvaard en geïnterpreteerd. Het is mogelijk dat de mentaliteit in het Spanje van de jaren '30-'40 hiervoor nog niet rijp was, vooral niet in de kerkelijke milieus. Enkele geestelijke stromingen van die tijd, die hun oorsprong vonden in theologische scholen, ascetische richtlijnen en apostolaatwerken van uiteenlopende aard, hadden een diepe verdeeldheid doen ontstaan onder de leken. Ze gaven aanleiding tot een zekere neiging tot messianisme en tot datgene wat mgr Escrivá “de pseudo-geestelijke mentaliteit van de enige partij” noemde. Iedereen kwam tot de conclusie dat de eigen beginselen en houding de enig geldige waren, en dat alle anderen zich hierbij dienden aan te sluiten. De standpunten van anderen te beschouwen als verderfelijk of ketters, betekende slechts een volgende stap.

Sommigen konden niet begrijpen dat het mogelijk zou zijn de heiligheid na te streven en
daarbij midden in de wereld te blijven

Op deze manier wordt het onbegrip5 verklaarbaar, dat al in 1929 naar buiten trad door gebrek aan kennis van de fundamentele boodschap van het Opus Dei: sommigen konden niet begrijpen dat het mogelijk zou zijn de heiligheid na te streven en daarbij midden in de wereld te blijven. De lasteringen en de vervolging door de “goeden”, die “erop uit waren om veel schade aan te richten, misschien ─ zo sprak de stichter met vergevingsgezindheid ─ in de veronderstelling dat ze God een dienst bewezen”6, namen toe vanaf 1939. De aanvallen vonden plaats in de biechtstoel, of geschiedden vanaf de preekstoel. Ook verschenen ze in de pers of werden verspreid door bezoeken aan de ouders van leden van het Opus Dei. Dezen werden bang toen ze de waarschuwing kregen dat hun kind “naar de hel zou gaan”, omdat men het had doen geloven dat het heilig kon worden in de wereld. Er werden studenten gestuurd naar de centra van het Opus Dei om te spioneren en om de ketterijen en dwalingen die, naar men dacht, daar verkondigd werden, aan het publiek bekend te maken. Een keer werd De Weg in het openbaar verbrand op een middelbare school van vrouwelijke religieuzen in Barcelona. De burgemeester had het bevel gegeven om Mgr. Escrivá aan te houden, zodra hij daar zou verschijnen. De stichter werd ook voor een speciale rechtbank ter onderdrukking van de Vrijmetselarij gedaagd, en het Opus Dei werd gekwalificeerd als “een joodse tak van de Vrijmetselarij”. Later, toen de Heilige Stoel zijn definitieve goedkeuring al aan het Opus Dei had gegeven, werd Mgr. Escrivá aangeklaagd bij het Heilig Officie. In die jaren ontstond ook de beschuldiging dat het Opus Dei een “geheim genootschap” was. “Het is al oud”, verklaarde de stichter in 1967 tegen een journalist van Time, “en ik zou u stap voor stap kunnen vertellen waar de historische oorsprong van deze kwaadsprekerij te vinden is. Een invloedrijke organisatie, die ik liever niet noem ─ wij dragen ze in ons hart en hebben ze altijd in ons hart gedragen ─, heeft jarenlang de feiten verdraaid die ze eigenlijk niet kende. Men bleef ons hardnekkig als religieuzen beschouwen en men vroeg zich af: Waarom denken ze niet allemaal hetzelfde? Waarom dragen ze geen pij of habijt of een ander uiterlijk kenteken? En daaruit trokken ze de dwaze conclusie dat wij een geheim genootschap zijn.”7 
De stichter leed onder deze, zoals hij het noemde, “tegenwerking van de kant der zogenaamde goeden”, vooral vanwege het kwaad dat zij de mensen berokkenden, te beginnen de aanstokers zelf. Niettemin verloor hij zijn kalmte niet. Eigenlijk was hij er niet zo verbaasd over. “Hoe zou een schilderij zijn vol licht, zonder enige schaduw? Het zou geen schilderij zijn! En zo is het passend dat enkelen ons niet begrijpen.”8
De seculiere, op de wereld ingestelde geesteshouding die het Opus Dei kenmerkt, stuitte op een andere instelling, namelijk die van de kloosterlingen ─ twee mentaliteiten die elkaar hadden moeten aanvullen en die niet vijandig tegenover elkaar zouden moeten staan. De stichter van het Opus Dei heeft heel zijn leven moeite gedaan om zulke misverstanden uit de weg te ruimen: “Ook al zijn wij geen religieuzen ─ we lijken er ook niet op, en geen autoriteit ter wereld kan ons dwingen het te worden ─, toch achten en beminnen wij de religieuze staat. Elke dag bid ik dat alle religieuzen ook in de toekomst aan de Kerk de vruchten van hun deugden, van hun apostolische werken en van hun heiligheid zullen schenken.”9

Waarom denken ze niet allemaal hetzelfde?

Zo stonden dan ook de religieuzen in het algemeen niet met onbegrip of afwijzend tegenover het Opus Dei. Integendeel, vanaf de aanvang van het Werk ondersteunen hele religieuze gemeenschappen zijn ontplooiing en uitbreiding door hun gebed of ook door aan talrijke mensen regelmatig contact met het Opus Dei aan te bevelen. De genoemde misverstanden en campagnes tegen het Opus Dei kwamen veeleer in de regel uit invloedrijke kerkelijke kringen, en werden dan overgenomen door groeperingen, die de Kerk gewoonlijk vijandig gezind zijn. Vele beschuldigingen van toen duiken ook nu wel eens op.

3. Vrijheid en werk

De vrijheid van de mensen van het Opus Dei komt op de eerste plaats tot uitdrukking in het werk: de vrijheid van het kiezen van het eigen beroep en van de middelen die men nodig heeft om dit beroep zo goed mogelijk uit te oefenen. De leden van het Werk dienen slechts rekenschap van hun werk af te leggen aan hun meerderen in het beroep, aan de aandeelhouders van hun onderneming, eventueel aan de officiële instanties, maar nooit aan de bestuurders van het Opus Dei.
Als het Opus Dei zich niet in deze zaken mengt, kan het ook geen gebruik maken van het beroepswerk van zijn leden ter verkrijging van voordelen of voorrechten. Dit zou geheel tegen het zuiver geestelijk karakter van de instelling ingaan. Bovendien zou dit niet overeenkomen met het gedrag dat men mag verwachten van ieder rechtschapen persoon, christen of niet-christen. Mgr. Escrivá bevestigt dit nadrukkelijk: “Het Opus Dei is een apostolische instelling. Zijn interesse gaat uitsluitend uit naar de zielen. Onze geest laat niet toe te handelen als die verenigingen die aan vriendjespolitiek doen en wederzijdse pluimstrijkerij.”10
De enige invloed die het Opus Dei uitoefent op het werk van zijn leden, bestaat in het geven van geestelijke vorming. Hierdoor worden zij aangespoord om zich steeds dieper bewust te worden van de consequenties van de evangelische boodschap op dit terrein en om zich in te spannen deze consequenties toe te passen op het dagelijks werk.

De enige invloed die het Opus Dei uitoefent op het werk van zijn leden,
bestaat in het geven van geestelijke vorming

Dit alles leidt tot een grotere betrokkenheid bij de problematiek van de sociale gerechtigheid, maar hierbij blijft de mogelijkheid voor verschillende oplossingen openstaan. Volgens de stichter bestaat er niet de “katholieke oplossing” voor de verschillende problemen die zich kunnen voordoen. Alle oplossingen die rekening houden met de natuurwet en de leer van het Evangelie, zijn christelijk. Hij legde de nadruk dus niet zozeer op de inhoud van de oplossingen, maar op de geest waarvan ze doortrokken dienen te zijn. Tegelijkertijd spoorde hij zijn kinderen met kracht aan om alle persoonlijke verantwoordelijkheden op zich te nemen, want het is niet juist zich bij persoonlijke en maatschappelijke onrechtvaardigheden neer te leggen. En hij zette op de volgende wijze de situatie uiteen, die zich in onze samenleving vaak voordoet: “Zoveel eeuwen al leven de mensen met elkaar en nog altijd is er zoveel haat, zoveel verwoesting, zoveel fanatisme in ogen die niet willen zien, en in harten die niet willen beminnen. De rijkdommen der aarde, verdeeld onder een paar mensen; de cultuurgoederen, aan een kleine kring voorbehouden. En daarbuiten, honger naar brood en kennis; menselijk leven dat heilig is, omdat het van God komt, en dat louter behandeld wordt als een ding, als getallen van een statistiek.”11
Een ondernemer, bijvoorbeeld, die door deze gedachten wordt bezield, zal zich te weer stellen tegen oneerlijke concurrentie, fraude, prijsstijging ten gevolge van een monopolistische situatie op de markt; hij zal de eerlijkheid in de handelsrelaties stimuleren en zijn aandacht zal in het bijzonder uitgaan naar de menselijke problemen en de levensomstandigheden van zijn personeel. Hij zal werkelijk rechtvaardig zijn ten aanzien van zijn werknemers. De werknemers, op hun beurt, zullen zich inspannen om hun plichten getrouw na te komen en, als burgers, zullen zij hun rechten uitoefenen, rekening houdend met het welzijn van de anderen en van het land. Deze invloed van de geest van het Opus Dei op het maatschappelijk leven, die grotendeels een gevolg is van het beroepsprestige van zijn leden in de verschillende maatschappelijke kringen waar zij actief zijn, valt zeker niet te veronachtzamen. Bovendien brengt de wens de problemen van de huidige wereld te helpen oplossen ─ waaraan de christelijke moraal zoveel kan bijdragen ─, enkele leden ertoe om gezamenlijk activiteiten te organiseren, die van groot maatschappelijk belang zijn. In antwoord op een “georganiseerde lastercampagne” betoogde Mgr. Escrivá met kracht dat het absurd zou zijn te denken dat het Opus Dei, als instelling, zich zou toeleggen op het exploiteren van mijnen, het leiden van banken en ondernemingen. Zijn bewering kan gestaafd worden met het voorbeeld van een groot gezin, waarvan een van de kinderen als arbeider bij Michelin werkt, een ander een administratieve baan heeft bij Renault, terwijl de derde een leidinggevende functie heeft bij de Nationale Bank. Zou men dan kunnen zeggen dat dit gezin een beslissende invloed uitoefent op deze bedrijven? Welnu, voor het Opus Dei geldt precies hetzelfde.
De stichter besefte heel goed dat een sektarische minderheid nooit deze praktische consequenties van de vrijheid zou kunnen begrijpen en dat haar aanhangers “verklaringen en motiveringen van ons zouden verlangen die overeenkomen met hun eigen denkwijze, die uitsluitend aan politieke categorieën gebonden is. Die denkwijze is gesloten voor het bovennatuurlijke en slechts bedacht op evenwicht en samenspel van groepsbelangen. Krijgen deze mensen echter verklaringen die niet aan hun smaak zijn aangepast en daarom ‘vals’ zijn, dan vermoeden ze leugen, veinzerij en duistere plannen.”12

Deze invloed van de geest van het Opus Dei op het maatschappelijk leven,
die een gevolg is van het beroepsprestige van zijn leden valt zeker niet te veronachtzamen

De leden van het Opus Dei komen in opstand tegen dergelijke beschuldigingen. Voor hen is het ondenkbaar zich van het lidmaatschap van de prelatuur te bedienen om er persoonlijk beter van te worden (het bereiken van een succesvolle loopbaan in het beroep of in het sociale leven), of om aan anderen hun mening op te leggen. Bovendien zouden de andere leden dit niet aanvaarden en zouden ze degene die op deze onjuiste manier handelt, ertoe aanzetten “van houding te veranderen of het Werk te verlaten. In dit opzicht mag niemand in het Werk ooit de geringste afwijking toelaten, want hier gaat het niet alleen om de verdediging van de eigen vrijheid, maar om het bovennatuurlijk karakter van een taak, waaraan men zich in overgave wijdt. Daarom ben ik van mening dat persoonlijke vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid de beste garantie vormen voor de bovennatuurlijke doelstelling van het Werk van God.”13
Als er leden van het Opus Dei zijn die belangrijke functies bekleden, dan komt dat door hun persoonlijke inspanning om hun werk te heiligen, en nooit door vriendjespolitiek, of doordat het Opus Dei druk zou hebben uitgeoefend. leder lid weet dat hij volledig vrij is, niet alleen in zijn oordeel, maar ook wanneer het gaat om het kiezen van zijn medewerkers of het oplossen van problemen op zakelijk gebied. En allen spannen zich in om gewetensvol te handelen bij het toekennen van functies of posten, rekening houdend met de opleiding van de mensen en het algemeen belang, want dat eist de rechtvaardigheid.

4. Vrijheid en politiek 14

Zij die niet geloven in het bestaan van religieuze idealen en morele waarden op grond waarvan mensen zich in een gemeenschappelijke onderneming verenigen die boven de politieke verdeeldheid staat, moeten maar eens nadenken over de volgende sociologische feitelijkheid: de leden van het Opus Dei bezitten samen 87 nationaliteiten, komen uit de vijf continenten, uit alle sociale milieus, behoren tot de meest uiteenlopende rassen en culturen, en hebben stuk voor stuk hun eigen mentaliteit. Zij leven in hun eigen gezinsomstandigheden en hun eigen sociaal en professioneel milieu. Hoe zou in deze omstandigheden het Opus Dei in zo'n discutabele en veranderlijke zaak als de politiek, aan zulke verschillende, ver van elkaar verwijderde mensen een soort dogma kunnen opleggen? Hoe kan men van een Japanner of Kenyaan vragen dat hij zich in de politiek gedraagt als een Australiër, een Filippijn, een Maleisiër of een Luxemburger?

In het Opus Dei passen alle meningen die de rechten van de Kerk eerbiedigen

Verscheidene malen onderstreepte Mgr. Escrivá, dat uit de aard der zaak “het Opus Dei niet gebonden is aan een concrete persoon, groep, bestuursvorm of politieke overtuiging”.15
In een Instructie voor de bestuurders binnen het Opus Dei spoort de stichter hen aan om niet over politiek te spreken en te laten zien dat in het Opus Dei “alle meningen passen die de rechten van de heilige Kerk eerbiedigen”.16 En hij voegt eraan toe dat de beste waarborg voor het zich niet mengen in discutabele onderwerpen is, de leden het bewustzijn van hun vrijheid in te prenten, want “als de directeuren een concrete mening zouden willen opleggen in kwesties van tijdelijke aard, dan zouden de andere leden hiertegen direct en met het volste recht in opstand komen. En ik zou me geplaatst zien voor de trieste plicht om hen die vastberaden weigeren te gehoorzamen, te zegenen en te prijzen, en met heilige verontwaardiging de directeuren te berispen die gebruik zouden willen maken van een gezag dat hun niet toekomt.”

“Als het Opus Dei ooit aan politiek zou doen, ook al was het maar een seconde,
dan zou ik op dat ongelukkige moment uit het Opus Dei gegaan zijn”

Men zou moeten weten welke moeite het Mgr. Escrivá gekost heeft om het Opus Dei te stichten, teneinde in al zijn diepte de kracht te kunnen bevatten van een van zijn verklaringen die bet voorafgaande versterkt: “Lang geleden heb ik geschreven: als het Opus Dei ooit aan politiek zou doen, ook al was het maar een seconde, dan zou ik op dat ongelukkige moment uit het Opus Dei gegaan zijn. Daarom mag geen enkel bericht geloofd worden waarin het Opus Dei gemengd wordt in politieke en economische kwesties, in zaken van tijdelijke of van welke aard dan ook. Aan de ene kant zijn onze middelen altijd eerlijk en onze doelstellingen zijn uitsluitend bovennatuurlijk. Aan de andere kant heeft ieder lid de meest volledige vrijheid ─ die door alle anderen gerespecteerd wordt ─ inzake politieke keuze, met de hieruit voortkomende verantwoordelijkheid, die logischerwijs ook persoonlijk is. Daarom is het niet mogelijk dat het Opus Dei zich ooit bezighoudt met activiteiten die niet in de eerste plaats van geestelijke en apostolische aard zijn en die iets te maken hebben met de politiek in een land. Een Opus Dei dat zich in de politiek mengt, is een hersenschim die nooit bestaan heeft, die niet bestaat en nooit zal kunnen bestaan. Het Werk zou, als dit onmogelijke geval zich zou voordoen, onmiddellijk verdwijnen.”17
De ruime pluraliteit die in het Opus Dei in de praktijk wordt gebracht, roept geen problemen op. In 1930 al schreef de stichter dat “het een uitdrukking is van goede geest, van een eerlijk gemeenschapsleven, van eerbied voor de rechtmatige vrijheid van iedereen”.18
De leden van het Opus Dei verantwoorden ieder voor zich hun meningen en handelingen. Hun verbintenis met de prelatuur, die geestelijke zaken betreft, stelt geen enkele voorwaarde aan hun politieke voorkeur, waardoor het pluralisme een waarachtige realiteit is. In Spanje gaf, vanwege tijdelijke omstandigheden die al tot het verleden behoren, de aanwezigheid van drie leden van het Opus Dei in de regering van Franco aanleiding tot uiteenlopende verklaringen. Vaak werd daarbij over het hoofd gezien, dat tegelijkertijd andere leden van het Opus Dei in de ─ destijds illegale ─ oppositie streden, en dat weer anderen op politieke gronden in de gevangenis zaten of het slachtoffer waren van de willekeur van diezelfde regering.
Voor de meeste gelovigen van de prelatuur houdt deelneming aan de politiek hetzelfde in als voor de meerderheid van hun medeburgers; die deelneming bestaat hierin dat zij hun burgerlijke rechten en plichten op zich nemen en uitdrukking geven aan hun meningen via de kanalen die in de politieke gemeenschap waartoe zij eventueel behoren, daarvoor bestaan. Het Opus Dei verantwoordelijk stellen voor iemands politieke ideeën of ─ als het een politicus betreft ─ zijn politiek optreden, is onzinnig.
In 1972 vroeg een Franse journalist van Le Monde ─ Ch. Vanhecke ─ zich af of men zou kunnen spreken van een “samenzwering” van het Opus Dei, en antwoordde: “Onpartijdige waarnemers denken van niet. Het Opus Dei zou dan een tijdgebonden filosofie moeten hebben, die het niet heeft. Het succes van het Opus Dei wordt verklaard door de burgerlijke vrijheid, waarvan zijn leden genieten.”19

5. Eerbied voor de vrijheid

De leden van het Opus Dei die besluiten zich actief aan de politiek te wijden, krijgen volledige vrijheid van handelen. De enige invloed die het Opus Dei hier laat gelden, komt overeen met wat reeds in het algemeen uiteengezet is ten aanzien van de beroepswerkzaamheden door leden van het Opus Dei. De stichter herinnert hen eraan in hun geloofsbeleving consequent te zijn: dit komt tot uiting in de “moeite die je je getroost om boven iedere menselijke hartstocht uit het grootste gebod, dat van de naastenliefde, in praktijk te brengen; in het goed bestuderen, zonder verhitte discussies, van jullie standpunten alvorens deze rustig en overwogen te uiten; in de eerbied voor de vrijheid van mening die zich op alle terreinen van de menselijke activiteit doet gelden; en in het begrip ─ de openheid ─ waarmee jullie omgaan met mensen die tegenovergestelde ideeën verdedigen”.20

De leden van het Opus Dei die besluiten zich actief aan de politiek te wijden,
krijgen volledige vrijheid van handelen

Deze houding van diep respect voor elkaars mening maakt dat er in het Opus Dei mensen zijn van al die politieke, intellectuele en ideologische stromingen, die verenigbaar zijn met een christelijk levensbesef. Een realiteit die ook afgeleid wordt uit de universaliteit van het Werk, waarvan het apostolaat zich niet beperkt tot mensen van een bepaalde sociale positie of een bepaalde mentaliteit. Het richt zich tot alle mensen van goede wil, die wensen deel te nemen aan het apostolaatwerk dat hun wordt aangeboden. Zij die toenadering zoeken tot het Opus Dei, worden aangetrokken door de kracht van een geloof dat diep beleefd wordt en dat boven alle menselijke begrenzingen uitstijgt. Het is een feit dat in alle landen de meeste leden van de prelatuur huisvrouwen, arbeiders, kleine handelaren, kantoorpersoneel, boeren e.d. zijn, dat wil zeggen personen met beroepen die geen bijzondere politieke of sociale betekenis hebben.
De geest van het Werk legt de nadruk op deze vrijheid, die aanwezig dient te zijn in alle kwesties van tijdelijke aard, want het is niet geoorloofd anderen de eigen mening op te leggen. Het gaat om iets wat het Opus Dei zo vaak herhaald heeft; het is dan ook onmogelijk dat het niet werkelijk beleefd wordt. Zou dit namelijk niet het geval zijn, dan zouden zijn leden al lang in opstand zijn gekomen in naam van deze vrijheid, waarop zo vaak een beroep wordt gedaan.

“Helaas is er onder de mensen zoveel neiging tot totalitarisme, tot tirannie, tot fanatisme met
betrekking tot zaken die discutabel zijn, dat wij ons erg moeten inspannen om een voorbeeld te
geven ─ overal ─ van onze liefde voor de persoonlijke vrijheid van iedereen.”

“Helaas is er onder de mensen zoveel neiging tot totalitarisme, tot tirannie, tot fanatisme met betrekking tot zaken die discutabel zijn, dat wij ons erg moeten inspannen om een voorbeeld te geven ─ overal ─ van onze liefde voor de persoonlijke vrijheid van iedereen.”21
Door het goede voorbeeld moet er onder de mensen begrip ontstaan, zonder welke vorm van geweld dan ook.
“Geweld begrijp ik niet”, zei de stichter, “noch om te overtuigen, noch om te overwinnen: iemand die leeft vanuit het geloof, voelt zich altijd overwinnaar. De dwaling bestrijdt men met het gebed, met de genade van God, met nuchtere redeneringen, met studie en met ervoor te zorgen dat anderen studeren. En met de liefde.22

6. Andere terreinen van de vrijheid

Jerôme Lejeune was een
van de meest gewaardeerde
genetici in de huidige tijd.
Hij ontdekte vele genetische
afwijkingen, waarvan het
syndroom van Down
(trisomie 21) de bekendste is.
Hij was een vurig
verdediger van gehandicapten
en van de ongeborenen.
www.fondationlejeune.org  

Zonder volledigheid te willen pretenderen, achten wij het de moeite waard de opvatting van de stichter te vermelden over de vrijheid met betrekking tot het wetenschappelijk onderzoek. Als grootkanselier van de Universiteit van Navarra hield Mgr. Escrivá in oktober 1967, naar aanleiding van de benoeming tot doctor honoris causa van een aantal vooraanstaande geleerden, een redevoering voor een groep van prominente wetenschappers (onder hen professor Jean Roche, rector van de Sorbonne). Hij zei toen dat het de taak is van de universiteit de mensen te dienen en het zuurdesem van de maatschappij te zijn. “De universiteit ─ voegde hij eraan toe ─ dient de waarheid te onderzoeken op alle terreinen: van de theologie, de wetenschap van het geloof, geroepen de altijd actuele waarheden te beschouwen, tot aan de geestes- en natuurwetenschappen toe.” De christelijke houding van de wetenschapper bestaat in het met moed binnendringen in de moeilijke regionen van het onderzoek, met een open geest en zonder terug te deinzen voor de inspanning. Iets wat uiteraard niet gemakkelijk is. In 1974, gedurende een soortgelijke plechtigheid, ter ere van professor Jerôme Lejeune en Mgr. Hengsbach, verklaarde de stichter dat “de wetenschappelijke objectiviteit juist alle intellectuele vooringenomenheid, alle dubbelzinnigheid, elk conformisme, en alle lafheid afwijst: de liefde tot de waarheid legt verplichtingen op aan heel het leven en werk van de wetenschapsman”.23
In het bewustzijn dat iedere ontdekking voortkomt uit de Wil van God, die zich op deze manier iets meer openbaart aan de mensen, dient de wetenschapper Gods hulp in te roepen. Indien de onderzoekingen werkelijk wetenschappelijk zijn, komen zij noodzakelijkerwijs bij God uit. Daarom wilde de stichter niet dat de theologie zou binnendringen in terreinen die aan andere wetenschappen toebehoren. integendeel, hij verzette zich tegen ieder streven dat een vermindering van de autonomie van de wetenschappen teweeg zou kunnen brengen. Dit was een logische consequentie van zijn liefde voor de persoonlijke vrijheid. Voor diegene die zijn beroep op een eerlijke manier uitoefent, is het bovendien een gevolg van de eisen en de bekwaamheid die het beroep met zich meebrengt.

Mgr. Escrivá verzette zich tegen ieder streven dat een vermindering van de autonomie van de
wetenschappen teweeg zou kunnen brengen

Mgr. Escrivá verdedigde “de persoonlijke vrijheid van de leken om, in het licht van de beginselen van het leergezag van de Kerk, alle concrete beslissingen te nemen, zowel op het theoretische als op bet praktische vlak, die ieder volgens zijn geweten goed vindt, en die in overeenstemming zijn met zijn persoonlijke overtuiging en zijn menselijke capaciteiten. Het gaat hier, bijvoorbeeld, om mogelijke opties inzake filosofie, economie, politiek, kunst, cultuur, beroep en maatschappij.” Door middel van onderzoek op het gebied van kerkelijke wetenschappen kunnen de leden van het Opus Dei in alle vrijheid bijdragen tot het apostolaat van de christelijke leer. Zij kunnen de schat aan kennis met nieuwe inzichten verrijken en oplossingen aandragen voor nieuwe problemen. Hierbij onderwerpen zij zich bij voorbaat aan het oordeel van de Kerk en overschrijden zij niet de grenzen van haar leer. Zij hebben dezelfde vrijheid als de andere katholieken om hun eigen mening te vormen over kwesties met betrekking tot de filosofie, de theologie, het kerkelijk recht, de heilige Schrift, voor zover de Kerk geen definitief oordeel heeft uitgesproken. Zij kunnen eventueel leerlingen of volgelingen hebben, maar zij vormen geen school binnen het Opus Dei, waarbij de andere leden zich zouden moeten aansluiten.
Mgr Escrivá legde er de nadruk op dat de volledig seculiere geest en mentaliteit van het Opus Dei het de leden gemakkelijk maakt de waarheid in vrijheid na te streven. Tevens was hij ervan overtuigd dat de vrijheid, verenigd met de liefde, ertoe leidt dat men de persoonlijke vrijheid van allen nastreeft en verdedigt.
Deze uiteenzetting over de vrijheid zou niet volledig zijn zonder een laatste markante uitspraak van Mgr. Escrivá te citeren. Toen aan de stichter gevraagd werd waarom het gaat bij de “bevrijding” waarnaar de mensheid over de hele aarde' telkens weer hunkerend uitziet, antwoordde hij zonder te aarzelen: “Het gaat om de bevrijding van de zonde, van de ketens van de kwade hartstochten, van de ondeugden, van bet slechte gezelschap, van de onverschilligheid, van iedere gemeenheid naar ziel en lichaam!” En, om deze beschrijving van de vrijheid van de kinderen Gods te voltooien, voegde hij, die zoveel projecten ter bevordering van het sociale welzijn had opgezet, eraan toe: “Zich willen bevrijden van de pijn, van de armoede, van de ellende is een uitstekende zaak. Maar dat is geen echte bevrijding. Bevrijding wil zeggen: met vreugde armoede, pijn en ziekte verdragen; verdraag met een glimlach de benauwdheid die een hoestbui met zich meebrengt!”24

7. De persoonlijke verantwoordelijkheid en laïcale mentaliteit

Vrijheid en verantwoordelijkheid behoren volgens Mgr. Escrivá bij elkaar als “twee parallel lopende lijnen”. Zonder vrijheid kan er geen verantwoordelijkheid zijn en zonder verantwoordelijkheid geen vrijheid. leder heeft de gevolgen van zijn vrij genomen beslissingen zelf te verantwoorden; de leden van het Opus Dei moeten bereid zijn voor hun doen en laten zelf in te staan.
Een gelovige van de prelatuur kan dientengevolge ook nooit het Opus Dei of de Kerk voor de “kar” van zijn handelingen spannen of in hun naam handelen, om zo zijn misschien goed gegronde persoonlijke meningen meer gewicht te geven. Dit was voor de stichter het teken van een echte lekenmentaliteit, die hij overigens met de volgende drie zinnen kenschetste: “Je moet eerlijk genoeg zijn om je persoonlijke verantwoordelijkheid te dragen; je moet christen genoeg zijn om ook die broeders in het geloof te respecteren die in kwesties waarover je van mening kunt verschillen, andere opvattingen hebben dan jijzelf; je moet katholiek genoeg zijn om je niet van onze moeder de Kerk te bedienen door haar bij zuiver menselijke partijbelangen te betrekken.”25

8. Vrijheid en autonomie in bet apostolaat

Het Tweede Vaticaans Concilie beklemtoont het met het doopsel gegeven recht van alle christenen om persoonlijk apostolaat uit te oefenen en zich als leden van het volk van God in zelfstandige medewerking aan de heilszending van de Kerk aaneen te sluiten voor gemeenschappelijke apostolische initiatieven. Hiermee is de lange tijd heersende opvatting overwonnen dat het apostolaat van de leken slechts begrepen kon worden als een “verlengstuk van de hiërarchie” en daarmee een monolithisch, van boven naar beneden georganiseerde zielzorg zou vormen. Reeds in 1932 schreef de stichter: “We moeten het vooroordeel uit de weg ruimen dat de gewone gelovigen niet veel anders kunnen dan de clerus bij het werk van het kerkelijke apostolaat behulpzaam zijn. Waarom zou het apostolaat van de leken altijd een participatie aan het hiërarchisch apostolaat moeten zijn? De leken hebben een eigen plicht apostolaat te doen. En dat niet omdat ze bijvoorbeeld een missio canonica ontvangen, maar heel eenvoudig omdat ze een deel van de Kerk zijn.”26

Reeds in 1932 schreef de stichter: “We moeten het vooroordeel uit de weg ruimen dat de gewone gelovigen niet veel anders kunnen dan de clerus bij het werk van het kerkelijke apostolaat behulpzaam zijn”

De leken moeten het leergezag en de instructies van hun herders volgen en zorgen voor hartelijke vriendschapsbanden met de hiërarchie. De kerkelijke ambtsdragers hunnerzijds moeten bij de leken het bewustzijn van hun legitieme autonomie bevorderen, met alle rechten en plichten tot persoonlijke heiligheid en apostolaat, waarop deze zelfstandigheid gericht is. “Dit noodzakelijke gebied van autonomie, dat de katholieke gelovige nodig heeft wil hij niet achterop raken ten opzichte van de andere leken, en wil hij zijn specifieke apostolische taak te midden van de tijdelijke realiteiten doeltreffend kunnen uitoefenen, moet altijd zorgvuldig gerespecteerd worden door hen, die in de Kerk het priesterambt vervullen. Gebeurt dit niet ─ worden leken als instrumenten gebruikt om bepaalde doelen te bereiken die de bevoegdheden van het hiërarchisch ambt te buiten gaan ─, dan zou men in een anachronistisch en betreurenswaardig klerikalisme vervallen.”27
Soms kunnen leden van het Opus Dei op uitdrukkelijk verzoek van de hiërarchie, zoals alle andere christenen, meewerken aan officiële kerkelijke activiteiten, in zoverre hun beroeps- en gezinsverplichtingen dat toelaten. Hun specifieke roeping echter wijst niet in die richting, maar vraagt van hen hun persoonlijke en alledaagse levensomstandigheden te heiligen en daarin een doeltreffend apostolaat uit te oefenen, dus juist dáár, waar de ambtelijke structuren van de Kerk vaak nauwelijks kunnen komen. Zouden zij in de mening verkeren dat de aanvaarding van kerkelijke opdrachten efficiënter zou zijn, en ze zouden hun eigen, specifiek seculiere roeping verwaarlozen, dan ontnemen zij de Kerk daarmee veel van haar zuurdesemwerking.
“Als de leden hun werk in de wereld zouden verwaarlozen om kerkelijk werk te doen, zouden ze hun van God ontvangen gaven braak laten liggen. En door hun wens om direct pastoraal werk te doen zouden ze de Kerk in feite schade berokkenen, want dan zouden er minder christenen zijn die bezig zijn met zichzelf te heiligen in alle beroepen en taken van de burgermaatschappij en op het immense gebied van de wereldlijke arbeid.”28
Dit is een taak die de gelovigen van de Prelatuur juist in dienst aan het bisdom waar zij wonen, vervullen en waarvan de vruchten altijd ook de plaatselijke Kerk ten goede komen.

9. Bijdrage van bet Opus Dei aan de oecumene

Het Opus Dei levert een eigen, specifieke bijdrage aan de oecumenische beweging. Bij de vraag van een journalist, hoe het Opus Dei tegenover de oecumene staat, zo vertelt de stichter in een interview, moest hij zich zijn ontmoeting met paus Johannes XXIII herinneren: “Onder de indruk van zijn vaderlijke beminnelijkheid zei ik toen tegen paus Johannes: ‘Heilige Vader, in het Opus Dei hebben altijd al alle mensen, of ze nu katholiek zijn of niet, een plaats gevonden waar ze zich thuis voelen. De oecumene heb ik niet van u geleerd!’ En de paus lachte, innerlijk bewogen, want hij wist, dat de Heilige Stoel al in 1950 aan het Opus Dei toestemming had gegeven om niet-katholieken, en zelfs niet-christenen, als medewerkers op te nemen.”29

De specifieke roeping van de leek vraagt van hen een doeltreffend apostolaat uit te oefenen juist daar, waar de ambtelijke structuren van de Kerk vaak nauwelijks kunnen komen.

De geest en manier van werken van het Opus Dei ─ zijn respect voor de persoon en diens gewetensvrijheid alsook de verdediging van de legitieme eigen initiatieven ─ dragen wezenlijk bij tot de toenadering, tot het groeiend begrip voor elkaar en tot het slechten van scheidsmuren tussen katholieken, niet-katholieke christenen en andere gelovigen. Onder hen bevinden zich talrijke mensen uit de hele wereld, die aan de verschillende apostolische ondernemingen van het Opus Dei en zijn leden meewerken, omdat zij het nut van deze apostolische initiatieven voor de individuele mens en voor de maatschappij inzien. “In deze en andere aspecten van onze leef- en werkwijze ─ al jaren in praktijk gebracht ─ vinden onze gescheiden broeders en zusters een flink deel van de theologische principes waaruit zowel zij als wij, katholieken, gegronde verwachtingen putten voor de toekomst van de oecumene.”30
Hierbij gaat het weer om een specifiek seculiere aanpak met als doel deze verantwoordelijkheid van alle christenen recht te laten wedervaren. Vooral werken de leden van het Opus Dei op alle gebieden van de maatschappij schouder aan schouder samen met diegenen, die weliswaar hun geloof niet delen maar wel direct ervaren wat het betekent een consequent leven als katholiek te leiden. Dat draagt ertoe bij de basis voor het herstel van de geloofseenheid voor te bereiden.

Noten

  1. Zie Archief der Kerken, Amersfoort, maart 1983, jg. 38, n. 3: “Verklaring...”, II, d.
  2. Citaat uit F. MARTINELL, Cristianos correntes, Madrid 1970, p. 80 e.v.
  3. Brief, 31-5-1954.
  4. Vgl. Vrienden van God, n. 32.
  5. Zie Gesprekken met mgr Escrivá (te citeren als: Gesprekken), nrs 30 en 64-66.
  6. Vgl. BERNAL, Ontmoeting met de stichter van het Opus Dei, De Boog Utrecht 1982, p. 306.
  7. Gesprekken, n. 30.
  8. BERNAL, Ontmoeting, p. 295.
  9. Gesprekken, n. 43
  10. Geciteerd naar J.J. THIERRY, L'Opus Dei. Mythe et réalité, Parijs 1973, p. 15.
  11. Als Christus nu langs komt, n. 111.
  12. Als Christus nu langs komt, n. 70.
  13. Gesprekken, n. 67.
  14. Zie over dit thema: J.J. THIERRY, L'Opus Dei. Mythe et realité, hoofdstuk IX.
  15. Gesprekken, n. 28.
  16. Instructie, 9-1-1935.
  17. Instructie, 9-1-1935.
  18. Brief, 24-3-1930.
  19. Le Monde, 4-5-1972, geciteerd in J.J. THIERRY, l'Opus Dei.... p. 122.
  20. Brief, 6-5-1945.
  21. Brief, 11-3-1943.
  22. Brief, 31-5-1954.
  23. ESCRIVÁ, HENGSBACH, LEJEUNE, Wissenschaft und christliches Leben. Drei Beiträge, Keulen 1974, p. 10 e.v.
  24. Opmerking tijdens een bijeenkomst op 29-7-1974.
  25. Gesprekken, n. 117.
  26. Geciteerd naar Gesprekken, n. 21.
  27. Gesprekken, n. 12.
  28. A. w., n. 61.
  29. A. w., n. 22.
  30. A. w.
 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller