Johannes Paulus I
Start Omhoog Video's Kardinaal Simonis Kardinaal Ratzinger Johannes Paulus I Pausen Moeder Teresa Oscar Romero Victor Frankl Kardinaal Franz König Kardinaal Lehmann Janne Haaland Matlary

 

Start
Omhoog

God zoeken in het dagelijks werk

Het voorbeeld van Jozefmaria Escrivá, stichter van het Opus Dei

Kardinaal Albino Luciani, patriarch van Venetië

Albino Luciani (Formo di Canale,
Dolomieten, 17 oktober 1912 – Rome 28
september 1978), de paus van 33 dagen,
werd in 1958 bisschop van Vittorio-Veneto,
in 1969 aartsbisschop en patriarch van
Venetië en in 1973 kardinaal. In een
conclaaf van één dag werd hij tot opvolger
van Paulus VI gekozen (26 augustus 1978). De
keuze van een dubbele naam (van zijn beide
voorgangers) verried zijn intentie. Hij wilde niet
officieel gekroond worden (3 september 1978) en
ontwapende ieder door zijn beminnelijkheid.
Hij stierf geheel onverwacht.

Encarta® - Naslagbibliotheek - Winkler Prins
 © 1993-2002
Microsoft Corporation/Het Spectrum.

Paus Johannes Paulus I heeft als Patriarch van Venetië in de Venetiaanse krant Il Gazzettino herhaaldelijk zijn standpunt bepaald ten opzichte van kwesties over kerkelijke politiek en pastoraal. Op 25 juli 1978 publiceerde de toenmalige Patriarch Albino Luciani een bijdrage over Jozefmaria Escrivá, stichter van het Opus Dei. Hieronder volgt de vertaling.

In 1941 hoorde de Spanjaard Victor García Hoz, toen hij gebiecht had, zijn biechtvader zeggen: “God roept u langs wegen van de beschouwing.” Hij stond verbaasd. Hij had steeds horen zeggen dat contemplatie iets was voor heiligen die mystieke wegen bewandelen, een doel dat alleen maar voor enkele uitverkorenen is weggelegd, mensen geheel afgezonderd van de wereld. “Ik daarentegen”, schrijft Hoz, “was in die jaren getrouwd, had reeds twee of drie kinderen en hoopte er nog meer te krijgen (wat later werd bewaarheid) en ik moest werken om mijn gezin te onderhouden.”

Wie was dan wel die revolutionaire biechtvader, die zulke vastgewortelde tradities zomaar omverwierp en zelfs aan gehuwden mystieke doeleinden stelde? Dat was Jozefmaria Escrivá de Balaguer, een Spaanse priester, die in 1975 op 73-jarige leeftijd in Rome overleed. Hij is vooral bekend als de stichter van het Opus Dei, een instelling die over de hele wereld verspreid is. De kranten schrijven vaak over hem, maar vermelden veel onjuistheden. Wie zijn de leden van het Opus Dei eigenlijk en wat doen zij? Dat heeft de stichter zelf gezegd: “Wij zijn - verklaarde hij in 1967 - een klein percentage priesters die aanvankelijk als leken een baan hadden of een beroep hebben uitgeoefend; een groot aantal seculiere priesters uit vele bisdommen in de wereld; een grote massa mannen en vrouwen - van verschillende nationaliteiten, talen en rassen - die van hun beroep leven (de meeste van hen zijn getrouwd, anderen niet), die samen met hun medeburgers deelnemen aan de zware taak om de maatschappij op aarde menselijker en rechtvaardiger te maken. Zij doen dit door edelmoedig hun dagelijkse plichten te vervullen, met persoonlijke verantwoordelijkheid; door hand in hand samen met andere mensen successen en mislukkingen te delen, en door zich in te spannen om hun taken te vervullen en hun sociale en civiele rechten te laten gelden. En alles met een vanzelfsprekendheid, zoals elke zelfbewuste christen, zonder de superieure mentaliteit van uitverkoren mensen, te midden van hun vele collega’s, terwijl zij proberen het goddelijke te ontdekken zoals dat weerspiegeld wordt in de eenvoudigste werkelijkheid.

Simpeler gezegd, de “eenvoudigste werkelijkheid” is het werk dat wij elke dag moeten doen; “het goddelijke” is het heilig leven dat geleid moet worden. Escrivá heeft voortdurend aan de hand van het evangelie gezegd, dat Christus van ons niet slechts een beetje goedheid verwacht, maar integendeel erg veel. Maar die goedheid moeten we bereiken niet door grootse, maar door gewone daden. Het is de wijze waarop de daden worden verricht, die ongewoon dient te zijn. Daar, midden in het dagelijks verkeer, op kantoor, in de fabriek wordt men heilig, terwijl men zijn taak met bekwaamheid, met tevredenheid en uit liefde tot God verricht, zodat de dagelijkse arbeid niet de “dagelijkse tragiek” wordt, maar bij wijze van spreken de “dagelijkse glimlach”.

Soortgelijke dingen had de heilige. Franciscus van Sales driehonderd jaar geleden al verkondigd. Vanaf de kansel had een predikant het boek in het openbaar verbrand waarin de heilige uitlegde dat, onder bepaalde omstandigheden, het dansen geoorloofd kan zijn en, sterker nog, Franciscus wijdde een heel hoofdstuk aan de “eerbaarheid van het huwelijksbed”. Escrivá gaat echter in veel aspecten verder dan Franciscus van Sales. Deze verkondigde ook de heiligheid voor allemaal, maar schijnt slechts een “spiritualiteit van de leken” te verkondigen, terwijl Escrivá een “laïcale spiritualiteit” verlangt. Met andere woorden, Franciscus raadt bijna altijd de leken dezelfde middelen aan die door de religieuzen worden gebruikt, weliswaar met aangepaste wijzigingen. Escrivá is veel radicaler: hij spreekt zelfs over het “materialiseren” - in de goede zin - van de heiligheid. Voor hem is het de materiële arbeid zélf die omgezet dient te worden in gebed en heiligheid.

De legendarische baron van Münchhausen verhaalt van een monstrum, een haas met een dubbel aantal poten: vier onder zijn buik en vier op zijn rug. Achtervolgd door de jagers en al bijna ingehaald, draait hij zich om en vervolgt zijn vlucht met onvermoeide poten. Voor de stichter van het Opus Dei is een monstrum het leven van die christenen die een dubbele reeks handelingen zouden willen verrichten: de ene bestaande uit gebed tot God, en de andere uit hun werk, hun ontspanning, hun familieleven. Nee - zegt Escrivá -, het leven is één en wordt in zijn geheel geheiligd. Daarom spreekt hij van “gematerialiseerde” spiritualiteit.

En hij spreekt ook over een juist en noodzakelijk “antiklerikalisme”, in die zin dat de leken geen methoden of functies van de priesters mogen stelen, en omgekeerd. Ik geloof dat hij dit antiklerikalisme enerzijds van zijn ouders heeft meegekregen en in het bijzonder van zijn vader, een echte heer, een harde werker, overtuigd katholiek, dol verliefd op zijn vrouw en steeds met een glimlach op zijn gezicht. “Ik herinner mij hem altijd vol sereniteit - heeft de zoon geschreven -, ik ben hem mijn roeping verschuldigd.... daarom ben ik paternalist. Anderzijds is zijn antiklerikale aanleg waarschijnlijk het gevolg van het wetenschappelijk onderzoek dat hij moest verrichten voor zijn proefschrift in het kerkelijk recht, in het vrouwelijk klooster van de Cisterciënzers van Las Huelgas bij Burgos. Daar was de abdis tegelijkertijd overste, prelaat, gouverneur van het ziekenhuis, van andere kloosters, kerken en dorpen, met haast koninklijke en bisschoppelijke wetgevende bevoegdheid en macht. Ook hier dus een monstrum vanwege de vele tegenstrijdige en veelal overlappende functies. In een dusdanige opeenhoping waren deze taken ongeschikt om werken van God te zijn, zoals Escrivá wilde. Want - zei hij - hoe kan een werk “van God” zijn als het slecht wordt uitgevoerd, haastig en met gebrek aan vakbekwaamheid? Een metselaar, een architect, een arts, een docent, hoe kan hij heilig zijn als hij niet tevens - voor zover het van hem afhangt - een goede metselaar, een goede architect, een goede arts, een goede docent is? In dezelfde lijn schreef Gilson in 1949: “Men zegt dat het geloof in de middeleeuwen de kathedralen heeft gebouwd; akkoord... maar ook de meetkunde kwam eraan te pas.” Geloof en meetkunde, geloof en arbeid, uitgevoerd met vakbekwaamheid, gaan voor Escrivá hand in hand; het zijn de twee vleugels van de heiligheid.

Franciscus van Sales had zijn theorie op schrift gesteld. Escrivá deed hetzelfde door elk moment van zijn tijd goed te gebruiken. Wanneer hem een gedachte te binnen schoot of een zin, haalde hij zijn notitieboekje te voorschijn, schreef een woord of een halve regel, die hij later voor zijn boek gebruikte. Om deze weg naar heiligheid te doen kennen, heeft hij - naast de talrijke uitgaven van zijn boeken - een zeer grote activiteit met een geweldig doorzettingsvermogen ontplooid en hij organiseerde de instelling van het Opus Dei. “Geef aan een Aragonees - luidt het spreekwoord - een spijker en hij zal hem met zijn hoofd vastnagelen.” Welnu: “Ik ben een Aragonees - heeft hij geschreven -, men moet koppig zijn.” Hij verloor geen minuut tijd. In Spanje, voor, tijdens en na de burgeroorlog ging hij na de colleges die hij voor studenten hield, koken, vloeren schoonmaken, bedden opmaken, zieken verplegen. “Ik heb op mijn geweten - en ik zeg het met trots - duizenden uren die ik besteed heb aan het biechthoren van kinderen in de krottenwijken van Madrid. Zij kwamen met vieze neuzen, tot aan hun mond toe. Je moest beginnen met hun neus schoon te vegen om daarna die arme zielen te zuiveren.” Zo heeft hij geschreven en daarmee het bewijs geleverd dat hij daadwerkelijk de “dagelijkse glimlach” beleefde. Ook schreef hij nog: “Ik ging doodop naar bed. Ik stond ’s morgens op terwijl ik nog moe was en ik zei tegen mezelf: Jozefmaria, voor het middageten mag je even een dutje doen. Maar ik was nauwelijks beneden op straat of bij het aanschouwen van het vele werk dat mij die dag te doen stond, voegde ik eraan toe: Jozefmaria, ik heb je weer voor de gek gehouden.”

Desondanks lag zijn grote taak in het stichten en leiden van het Opus Dei. De naam kwam per toeval. “Men moet hier alles op alles zetten, dit is een werk van God”, zei iemand hem. “Dát is de juiste naam”, dacht hij, “een werk dat niet van mij is maar van God, Opus Dei.” Hij heeft dit werk zien groeien tot aan de verspreiding over alle werelddelen toe. Toen begon het werk van zijn intercontinentale reizen voor nieuwe oprichtingen en toespraken. De grote verbreiding, het enorme aantal en de hoge kwaliteit van de leden van het Opus Dei doen denken dat er politieke doeleinden en slaafse gehoorzaamheid achter schuilgaat. Het tegendeel is waar: er bestaat slechts de wens om heiligen te maken, maar met blijdschap, met een geest van dienstbaarheid en met grote vrijheid.

“Heilige Vader, in het Opus Dei hebben altijd al alle mensen, of ze nu katholiek zijn of niet, een plaats gevonden waar ze zich thuis voelen. De oecumene heb ik niet van u geleerd!” En Johannes lachte, innerlijk bewogen, want hij wist, dat de Heilige Stoel al in 1950 aan het Opus Dei toestemming had gegeven om niet-katholieken, en zelfs niet-christenen, als medewerkers op te nemen.

Als student rookte Escrivá. Toen hij echter het seminarie binnentrad, schonk hij pijpen en tabak aan de portier en heeft sedertdien nooit meer gerookt. Maar op de dag waarop de eerste drie priesters van het Opus Dei werden gewijd, zei hij: “Ik rook niet, jullie drie evenmin: Álvaro, het is nodig dat jij begint te roken... Ik wil dat anderen zich niet gebonden voelen en dat ze roken als zij dat wensen.” Het gebeurt soms dat iemand van de leden, die door het Opus Dei alleen geholpen wordt om in alle vrijheid verantwoorde keuzes te doen, ook op politiek gebied, gekozen wordt voor een of andere belangrijke functie. Maar dat is zijn zaak, niet van het Opus Dei. Toen in 1957 een belangrijk persoon Escrivá gelukwenste omdat een lid benoemd was tot minister in Spanje, ontving hij dit antwoord; “Wat kan het mij schelen of hij minister of straatveger is. Wat mij interesseert is dat hij door zijn werk geheiligd wordt.” In dit antwoord komt de persoonlijkheid van Escrivá en de geest van het Opus Dei tot uitdrukking: dat iemand zich heiligt door zijn werk, misschien wel als minister, wanneer hij op die plaats is gesteld, maar dat hij zich werkelijk heiligt. De rest telt nauwelijks mee.

 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller