Janne Haaland Matlary
Start Omhoog Video's Kardinaal Simonis Kardinaal Ratzinger Johannes Paulus I Pausen Moeder Teresa Oscar Romero Victor Frankl Kardinaal Franz König Kardinaal Lehmann Janne Haaland Matlary

 

Start
Omhoog

Werken, een weg naar de heiligheid

Themavoordracht Congres, “De Grootsheid van het Gewone Leven”

Rome, 10 Januari 2002, dr. Janne Haaland Matlary

dr. Janne Haaland Matlary
Janne Haaland Matlary (1957) bekleedde tot 2000
de post van staatsecretaris van Buitenlandse Zaken
in de Noorse regering. Zij is hoogleraar Internationale Politiek
aan de Universiteit van Oslo. Verder is Janne Matlary lid van zowel
de Pauselijke Raad van Gerechtigheid en Vrede
als van de Pauselijke Raad voor het Gezin.
Janne Matlary heeft diverse boeken geschreven,
onder meer over waarom zij katholiek is geworden
en hoe haar dat in het geseculariseerde Noorwegen vergaat.

Toen ik gevraagd werd een themavoordracht te geven met als titel “Werken, een weg naar de heiligheid”, was ik zowel vereerd als met ontzag vervuld, maar nog het meest van alles verbaasd. Ik ben geen deskundige met betrekking tot Escrivá, geen theoloog en zeker geen deskundige op het gebied van heiligheid. Ik leid een gewoon leven als een moeder en professor in internationale politiek aan de Universiteit van Oslo. Maar ik heb ontdekt, in mijn eigen gewone situatie, dat zijn boodschap over werk waar is. En dit moet de exacte kern van de kwestie zijn: dat het Werk werkt, zo te zeggen.

 

 

 

 

Inleiding

Jammer genoeg heb ik Escrivá nooit ontmoet. Hij moet een man van intense arbeid, gedrevenheid en energie, in elke betekenis van het woord, geweest zijn. Telkens als je zijn korte kernachtige gezegden leest, blijft je zitten met een slecht geweten en je wordt aangespoord meer en beter te werken. Ik denk dat ik het meeste gelezen heb van wat hij heeft geschreven, en ik vind het zeer diepgaand. Er is geen geklets of iets vergoelijkend, maar direct, ongezouten, realistisch advies. Je eigen niet-nakomen wordt overduidelijk; dat is één van de redenen waarom een “dosis Escrivá” voor sommigen teveel kan zijn.

Het zou echter verkeerd zijn om te beginnen te spreken over werk. We moeten eerst over de hoofdzaak spreken, dat is de universele oproep tot heiligheid en het lekenapostolaat. Een bekeerling tot het katholicisme zijnde, ben ik slechts geleidelijk bekend geraakt met het klerikalisme en de traditionele voorrang van het gewijde leven op de lekenstand, dat nog steeds op vele plaatsen voortleeft ondanks het Tweede Vaticaanse Concilie.

In Scandinavië zijn er nauwelijks katholieken, dus ook geen klerikalisme. Daar is het probleem eerder het gebrek aan een Kerk die iets leert. Leken worden aan zichzelf overgelaten om het Christendom te interpreteren. Maar de sleutelrol in het Christendom in deze landen is die van de leek. In Noorwegen is de Protestantse lekenbeweging het waarmerk geweest van het Christendom.

De lekenpredikant Hans Nielsen Hauge spoorde in de 19de eeuw aan tot een landelijke beweging van de heiligheid van het gewone leven van de leek, die de staatskerk en de rol van de geestelijke stand uitdaagde. Hauge zelf werd voor vele jaren gevangen gezet wegens zijn revolutionaire spiritualiteit waarvan heden de invloed nog steeds groot is. Ik zou zeggen wat van het solide en levendige Christendom vandaag in Noorwegen overblijft, heeft zijn erfenis te danken aan Hauge. Het woord “legmannsbevegelsen” (de lekenbeweging) is synoniem met solide vroomheid en sterk geloof. Maar zijn beweging is een lekenbeweging ‘zonder meer’. De vader van een vriend sprak op zijn sterfbed deze woorden: “Ieder mens zijn eigen priester”. Dat karakteriseert de Protestantse lekenbeweging tamelijk goed: er is geen behoefte aan welke kerk dan ook. Alles wordt aan de leek zelf overgelaten, die de H. Schrift uitlegt en als een goede leerling probeert te leven.

Deze eis roept de herinnering op aan het sleutelbegrip bij Escrivá over het zijn, niet het doen – het individu kan alleen een apostel zijn wanneer hij of zij werkelijk een christen is, niet wanneer iemand verklaart er een te zijn. Maar hier houden de punten van overeenkomst tussen Escrivá en de Protestantse lekenbeweging op. De rationele en leerstellige traditie van het Katholicisme ontbreken, zo ook de sacramenten.

Ik werd katholiek, uit een agnostische achtergrond komend, maar worstelde voor vele jaren met het probleem van “het Zondagse Christendom”. Het was alsof het katholicisme op zijn plaats was in Rome, niet in Noorwegen. Dit was natuurlijk geheel en al mijn probleem, ofschoon er in mijn land feitelijk bijna geen katholieken zijn en er een erg antikatholieke traditie leeft.

Op een bepaald ogenblik deed zich een crisis voor: Ik wist dat het Christendom op een of andere manier werkelijkheid moest zijn te midden van mijn gewone leven; of ik zou de Kerk verlaten. Het had geen zin een zondagse “troost” te zoeken in een besloten katholieke wereld. Christus gaf óf vorm aan mijn dagdagelijks leven, óf helemaal niet. Die tijd leidde ik het soort van “dubbel leven” waarover Escrivá zo vaak spreekt, en ik wist dat daarmee iets heel erg mis was.

Ik ontmoette iemand van het Werk in 1995, en dat was voor mij het moment van radicale verandering. Die persoon haalde die beroemde woorden aan over het vinden van God in de straat of helemaal niet. En ik begon met tegenzin Escrivá te lezen, maar ik mocht hem niet erg, daar ik toen al de gebruikelijke vooroordelen koesterde over het Werk. Zijn boodschap was eenvoudig en bijna te goed om waar te zijn: Ontdek Christus in wat je doet – werk, gezinsleven, maatschappelijke relaties. Dat is mogelijk, en het is de manier Hem te dienen, jezelf te heiligen en anderen. Deze belofte bleef mij bij omdat ik Christus in mijn gewone leven moest vinden, of in het geheel niet. Dus las ik verder alles wat ik over deze spiritualiteit kon vinden, terwijl mijn vooroordelen springlevend waren.

Deze spiritualiteit van de arbeid was logisch, zo logisch dat je verbaasd bent dat het niet aan iedereen altijd duidelijk is geweest. Maar het als waar onderkennen en met het verstand aanvaarden betekent niet het in praktijk te brengen. We kennen allemaal al die diep indringende woorden zo goed. Maar de praktijk is moeilijk – een levenslange strijd tegen je grillen, wil, verlangens en luiheid. Deze roeping is zeker niet gemakkelijker dan een kloosterleven; het vereist feitelijk dat de christen contemplatief is te midden van de wereld. Het is inderdaad zeer moeilijk dat in praktijk te brengen.

De enige belangrijke kwestie: heiliging

"Het doel van menselijk leven is God lief te hebben
en te loven en daarom zal iemand die heiligheid
nastreeft noodzakelijkerwijs elk menselijk
wezen dienen als ook de wereld “verbeteren”.
"

De belangrijkheid van de arbeid kan alleen begrepen worden in dit groter verband: Het doel van menselijk leven is God lief te hebben en te loven en daarom zal iemand die heiligheid nastreeft noodzakelijkerwijs elk menselijk wezen dienen als ook de wereld “verbeteren”. Het voornaamste doel is heilig te worden, Christus na te volgen en dit voornaamste en persoonlijke doel heeft als gevolg dat je Christus naar anderen brengt en de wereld een betere en meer rechtvaardige plaats maakt. De voorrang heeft de persoonlijke zoektocht naar heiligheid, en al de andere gevolgen vloeien daaruit voort.

Dit betekent dat je geen “rol” in de maatschappij en in je werk speelt om anderen naar Christus te trekken, maar je werkelijk en ongeveinsd wordt als Christus iemand wordt die Christus’ werk doet door samenwerken met de genade en in voortdurend “gesprek” met God. Er kan geen verschil zijn tussen de christen en de werkende mens of burger – er bestaat slechts één leven. Iemand “sluit zich niet aan” bij het Werk van God; je moet het werkelijk worden.

Deze nadruk op zijn vóór enige actie wordt dikwijls heel verkeerd begrepen door degenen die het Werk bekritiseren; zij denken dat je tot iets “behoort” dat verborgen is en geheim gehouden wordt, terwijl men feitelijk iets aan het worden is dat men daarvoor niet helemaal was, maar op dezelfde plaats, met dezelfde baan en in dezelfde omstandigheden. Het gezegde “een heldhaftig vers te maken van het proza van elke dag” vat dit op een elegante manier samen. Dit is zonneklaar duidelijk en eenvoudig voor hen die God zoeken te midden van de wereld en die al hebben ontdekt dat Hij te midden van het werk is maar te eenvoudig voor de wereld om te begrijpen.

Deze zeer grote klaarheid over het Werk treft mij telkens weer. Het is heel duidelijk dat de plaats en de omstandigheden waar ik en u zijn geboren en leven het fundament moet zijn voor onze roeping tot heiligheid. Hoe zou het anders kunnen? Het zou absurd zijn als God ons in omstandigheden had geplaatst waar we ons christelijk leven en roeping niet zouden kunnen vervullen. Verder, het zou even onzinnig zijn als alleen degenen met een kloosterroeping een “echte” roeping hadden. Christus zelf, de timmerman, zou dan niet echt “tellen” gedurende al zijn dertig werkjaren, maar alleen tijdens die weinige jaren van openbaar leven.

Als ik werk aan politieke analyse, waar ik van hou, ben ik precies waar mijn persoonlijkheid helemaal over gaat en waar mijn talenten zich ontvouwen. Hoe zou dit verwijderd van mijn Schepper kunnen zijn? En zelfs meer nog, als ik met mijn kinderen ben, hen onderwijzend, voor hen zorgend, dan weet ik werkelijk en diepgaand dat ik God ontmoet. De vrede en de vreugde daarvan, maar ook al de zorgen en het harde werk van het moederschap brengen mij ongetwijfeld dichter bij God dan de meeste andere situaties van mijn leven.

De deugden en het werk

"De menselijke deugden zijn noodzakelijke maar
geen voldoende voorwaarden voor heiliging.
Zij zijn u allen goed bekend. Het moeilijke
is ze aan te leren, niet te weten wat ze zijn.
Escrivá spreekt heel veel over het belang
van het gewetensonderzoek, veelvuldige biecht, de
sacramenten, gebed, en zo verder –
het hele spirituele “ondersteuningssysteem”
dat de Kerk altijd heeft aanbevolen.
Dit is allemaal vereist om vooruit te gaan."

In de Noorse taal is er geen woord voor “deugd”. Het begrip bestaat niet anders dan als het hebben van een betekenis zoals seksuele preutsheid “dydig” betekent iemand die geen seksuele betrekking heeft omdat hij of zij het verafschuwt. Deze verandering van betekenis geeft de buitengewone zwakheid aan van scholing in de klassieken en in het bijzonder in de christelijke natuurwet, waarvan men moet zeggen dat die hier, in Scandinavië, volkomen onbekend is.

Niettemin, deugd is het sleutelwoord voor de spiritualiteit van de arbeid. De kwestie is hoe dat we heiligen gaan worden; hoe we in dit leven gelijk Christus worden. Al het andere, als het te doen moet zijn, – een betere wereld, doordrongen van Christus, de apostolische activiteit, dit allemaal kan alleen gebeuren door zelf als Christus te worden. Er zullen zonder dat geen bekeringen zijn en geen verbeteringen.

Escrivá onderstreept dit keer op keer – gebed, beschouwing vóór welke actie dan ook. En zijn werkelijkheidszin is duidelijk met zijn nadruk om telkens opnieuw en opnieuw te beginnen met de juiste bedoeling. De moeilijkheid om het werk te heiligen komt door ons gebrek aan eensgezindheid omdat we het bewustzijn van Gods tegenwoordigheid verliezen en ophouden met Hem “om te gaan”. Dit hoeft ons niet te verbazen lijkt Escrivá te zeggen, daar je middenin de drukte van elke dag bent, maar het kan en moet worden aangepakt door je inspanning voor een sterk geestelijk leven.

We weten allemaal hoe “gemakkelijk” het is te bidden tijdens een retraite of in de Kerk, en we weten allemaal hoe snel onze spirituele bronnen zijn uitgeput te midden van wereldlijk leven en gewone spanning. Maar het is daarom dat het spirituele leven de sleutel is: we hebben alle aspecten van dit “spirituele ondersteuningssysteem” nodig omdat het zo moeilijk is werk tot gebed te maken.

De menselijke deugden zijn noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarden voor heiliging. Zij zijn u allen goed bekend. Het moeilijke is ze aan te leren, niet te weten wat ze zijn. Escrivá spreekt heel veel over het belang van het gewetensonderzoek, veelvuldige biecht, de sacramenten, gebed, en zo verder – het hele spirituele “ondersteuningssysteem” dat de Kerk altijd heeft aanbevolen. Dit is allemaal vereist om vooruit te gaan.

Het heden ten dage zich gewoon niet bewust zijn van zonde is als de top van de ijsberg: de zonden die je nog ziet vormen het zichtbare gedeelte, terwijl negentiende van de ijsberg onder water verborgen is. Velen zien zelfs het zichtbare gedeelte niet meer en hebben schipbreuk geleden. Maar degenen die geleidelijk onder water doordringen beseffen hoe moeilijk het is verder naar beneden te kijken en hoe verbaasd zijn we de enorme grootte van de ijsberg te ontdekken. Alleen een diepgaand geestelijk leven zal in staat zijn zelfinzicht te geven, kennis hoever we nog van God verwijderd zijn.

Vooruitgang in menselijke deugd is het platform voor elk echt christelijk leven. Dus het is alleen maar te verwachten dat Escrivá altijd spreekt over gebed vóór werk. Werk, hoe goed ook gedaan, zonder gebed is zinloos vanuit bovennatuurlijk standpunt.

Dit inzicht kreeg ik laat. Gedurende verscheidene jaren nadat ik met Escrivá bekend raakte concentreerde ik me meer op mijn werk – dat het goed wordt gedaan en belangrijk is in menselijk opzicht – dan op mijn geestelijk leven. Ik neigde ertoe het feit te verwaarlozen dat werk alleen geheiligd kan worden en heiligt wanneer gedaan in het kader van een spiritueel leven en met de juiste bedoeling.

Met het zuiver menselijke perspectief dat ik over werk had, zelfs nadat ik volkomen gefascineerd raakte door de boodschap van Escrivá, werd ik verhinderd om dit werk meer te doen zijn dan dat – alleen werk, goed gedaan. Mijn begrip van het belang van werk begon bij het werk zelf, niet bij de bovennatuurlijke “achtergrond” ervan. Toen ik eindelijk ontdekte dat gebed vooraf moet gaan en voorrang krijgt op werk, begreep ik de ware spiritualiteit van Escrivá.

Goed werken zonder een bovennatuurlijk perspectief is goed, nuttig en lovenswaardig en ontwikkelt zowel menselijke deugden als de maatschappij, maar is niets meer dan dat. Het wordt niet geheiligd; het heiligt de werkende niet noch zijn collega‘s.

Dit mag hard klinken, maar het is een hoofdpunt. Zoals Illanes zo goed aangeeft, de wereld van werk, zo goed mogelijk gedaan vanuit een menselijk standpunt, moet “tot een eenheid gemaakt” worden met het bovennatuurlijke leven van de werkende. Alleen dan wordt het werk gebed, en de werkende bidt door zijn werk, prijst en looft God, er ondertussen naar strevend zo volmaakt mogelijk te werken.

Er is een zeer groot verschil tussen werk gezien vanuit een menselijk perspectief en werk gezien vanuit Gods perspectief. We zien flarden van dat laatste als we geestelijk vooruitgaan, maar zien het hier op aarde nooit duidelijk. We zien ons werk en zijn betekenis, zoals al het andere, “door een donker glas”. Maar als we de inspanning opgeven het bovennatuurlijke perspectief te verwerven, blijft ons werk eenvoudig het op ervaring gebaseerde werk dat we zien en doen. Het wordt niet omgevormd tot Gods werk, verandert noch structuren en personen, noch onszelf.

Dit verschil is de sleutel tot de spiritualiteit van de arbeid. Het is onmiskenbaar dat werk menselijkerwijze goed moet worden gedaan om het God aan te bieden als een dienst en een teken van onze immense liefde voor Hem. Maar om voor deze gave niet alleen “grondstof” voor ons te zijn, maar voor God in het hérkerstenen van de wereld van binnenuit, moeten we het aanbieden met de juiste intentie, vurig verlangd en in gebed gewikkeld.

Toen ik me alleen concentreerde om het werk goed te doen, denkend dat het werk dat ik als belangrijk beschouwde het ook in de ogen van God was, paste ik menselijke logica toe die zegt dat hoe belangrijker mijn werk was en hoe meer mensen ik bereikte, des te beter.

Misschien was ik juist in die beoordeling, maar ik kan net zo goed verkeerd zijn geweest. Maar als ik juist was, zou al de verborgen arbeid van al die “onbetekenende” mensen in de wereld – werk dat nooit velen bereikte, nooit erg zichtbaar werd, minder belangrijk zijn dan het mijne. Wat met de naamloze aardappelschilster die Escrivá als een voorbeeld aanhaalt? Hoe moest ik weten dat haar werk minder belangrijk was dan het mijne? Inderdaad geeft het menselijke standpunt snel blijk van zijn onwetendheid, want Gods perspectief kan totaal verschillend zijn. Vanuit menselijk gezichtspunt zou het verborgen werk van Jezus de timmerman niet veel waard zijn.

Wanneer je ontdekt dat je niets weet over het belang dat God hecht aan je leven en specifieke roeping, ontdek je dat die weg wordt genoemd nederigheid en overgave. Wij weten niets over zijn plannen totdat we de stappen hebben gezet, één voor één, en we terug kunnen kijken en een bepaald pad onderscheiden. We moeten daarvoor tegelijkertijd op twee fronten strijden: het tweede, noodzakelijk, maar gemakkelijker, is goed te werken; het eerste en onmisbare is een diepgaand geestelijk leven te hebben dat het leven van werken doordrenkt.

Waar komt de spiritualiteit van de arbeid vandaan?

"Wat mij over deze roeping zo diep gelukkig
maakt is niet dat werk de weg is, maar de
enorme nadruk op het gewone leven als kader
voor lekenroepingen: waar we heiligen
zullen worden als we onszelf er toe zetten."

Het zou verkeerd zijn in de geschriften van Escrivá te zoeken naar een ten volle ontwikkelde theologie van de arbeid. De inzichten die hij had werden hem gegeven in openbaringen, niet door hem bedacht door een verstandelijk studieproces. Hij had geen plannen om wat later bekend wordt als het Werk te beginnen, maar verhaalt hoe het hem duidelijk werd gemaakt wat deze zending van hem was: Prada’s biografie geeft pakkende kijkjes in de ontwikkeling van deze roeping toen Escrivá een jonge priester in Madrid was; hoe God hem de genaden gaf die een geleidelijk inzicht verschaften in wat zijn missie moest worden. Ik koester deze biografie omdat we hier zien hoe Escrivá, zonder middelen, als een zeer nederig mens zijn weg en zijn buitengewone zending van God te weten kwam. Hij was gewillig en er klaar voor. God bereidde alles voor voor de ontwikkeling van de plot hoe het Werk werd geboren.

Wat mij over deze roeping zo diep gelukkig maakt is niet dat werk de weg is, maar de enorme nadruk op het gewone leven als kader voor lekenroepingen: waar we heiligen zullen worden als we onszelf er toe zetten. De beklemtoning van het gewone, verborgen leven staat in zeer sterk contrast tot wat een “natuurlijk” klerikalisme van de dag in Spanje moet zijn geweest, waar het idee van lekenroepingen uiterst vreemd moest hebben geleken. Ik ken iets van hetzelfde “natuurlijke” klerikalisme van Hongarije, waar de Kerk is “bevroren” geweest tijdens de communistische periode, en waar de rol van de geestelijkheid nog steeds heel erg de kerk is. Het is gemakkelijk genoeg voor ons in te zien, na Vaticaan II, dat de lekenstand zijn eigen roeping heeft, maar hoe vreemd moet zo’n gedachte in het katholieke Spanje van de dertiger jaren zijn geweest. En het onbegrip dat Escrivá, zelf een priester, moet hebben ondervonden, kan men zich alleen maar inbeelden. Hij, een priester, zulke ideeën te koesteren! Deze voor hem moeilijke omgeving is een verder getuigenis van de waarachtigheid van de wil van God hem het charisma van het Werk te geven.

In deze spiritualiteit ligt het accent op het gewone leven, inderdaad hoe buitengewoon elk gewoon leven bedoeld is te zijn. Degenen die de top van hun beroep bereiken doen dat omdat zijn goed werken, en dat, natuurlijk, geeft hun veel gelegenheid om velen te bereiken door hun apostolaat. Sommigen zouden daaruit afleiden dat Escrivá bedoelde dat allen in menselijke zin machtig en belangrijk moeten worden, om zo in staat te zijn de hele maatschappij te beïnvloeden. Maar dit is het punt niet; het is integendeel de heiliging van het verborgene en gewone, zoals Christus gedurende dertig jaar een onopvallend leven leidde in een beroep dat niet machtig of prestigieus was.

Hieruit volgt dat werk zijn betekenis en heiligend karakter alleen verkrijgt als het wordt uitgevoerd als een dienst aan God en de naaste, als een manier om God te prijzen die we geacht worden op ons te nemen. Arbeid aangeboden als een dienst aan God moet zo volmaakt mogelijk worden verricht, daar men niet iets slechts of lelijks zou weggeven aan iemand waarvan men houdt.

Terwijl de lof voor God en de liefde voor God door beschouwend gebed en de getijden wordt uitgedrukt door degenen die een religieuze roeping hebben, wordt onze lekenmanier van lofprijzing en liefde tot God tot uitdrukking gebracht door ons werk, goed gedaan en met de juiste intentie. Onze enige plaats is in de wereld, te midden van alle menselijke arbeid en activiteit; waar anders kunnen we zijn? En dan zien we in dat God ons hier heeft neergezet zodat we Christus kunnen navolgen op deze specifieke plek en omstandigheid. Het is echt zeer logisch en vanzelfsprekend, maar het is ook volkomen revolutionair – niet alleen in de geschiedenis van de Kerk die gedurende vele eeuwen de leek als “ontoereikend” zag met betrekking tot het hebben van een gepaste roeping, maar veel meer in een persoonlijke, reële zin. Jouw gewone leven is enig in zijn soort, buitengewoon, bijzonder – het is het ontwerp dat God speciaal voor jou heeft gemaakt – op maat gemaakt voor jouw heiliging.

Er kan nauwelijks beter nieuws zijn. Zo vele miljoenen mensen – katholieken, niet-katholieken en niet-christenen, zijn wanhopig ongelukkig omdat zij op zoek zijn naar betekenis in hun eigen, dagelijks leven. Zij weten noch zien dat juist hier, te midden van hun saaie, harde, monotone dagen de verborgen parel ligt. Het is niet in Rome of Jeruzalem; het is in hun eigen hart waar God, de bron, verblijft door de Heilige Geest. Hun wegen om deze betekenis te ontdekken zijn zo gevarieerd als de mensen zelf, maar eens zij een weinig zien, kunnen zij de volheid van hun roeping ontdekken juist daar waar zij zijn, waar zij werken. Dit is de grootste van alle ontdekkingen: het is mogelijk een eenheid van leven te beleven die vreugde meebrengt, kalmte, en nabijheid van Christus overal, in elke situatie.

Lang voordat ik van Escrivá had gehoord bracht ik met mijn gezin een zomer door in Annecy in Frankrijk, de geboortestad van Franciscus van Sales, patroon van de journalisten. Daar las ik zijn correspondentie met de H. Jeanne de Chantal, zijn levenslange “Seelenfreund”. Franciscus’ onderdompeling in het dagelijkse gewone leven van zijn parochianen maken die brieven voor mij zo vele jaren later, eigentijds, eenvoudig, helder en inspirerend. De heiligheid van het gewone leven kwam eruit naar voren zoals een natuurlijke waterbron. Franciscus schijnt iets geweten te hebben van het geheim dat Escrivá gegeven was ons allen bij te brengen.

Werk betekent last en vreugde

Het is gemakkelijk gezegd dat je moet werken met menselijke volmaaktheid. Maar het is erg moeilijk, in het bijzonder als je moe bent en onbezield. Hoeveel dagen zijn er niet dat we mislukken! Verveeld, rusteloos, geïrriteerd, vermoeid, niet vindingrijk: waar we tijd verknoeien en naar huis gaan met een diepzittende ongemakkelijkheid over hoe de dag werd doorgebracht.

Maar werk kan veel meer betekenen dan zelf teweeggebracht lijden. Het is ook een plaats waar we vaak lijden onder onrechtvaardige behandeling, pesterij, misschien ontslagen worden, voor het leven opgescheept worden met geen kans op verandering of promotie, waar we moeten volharden want we hebben het geld nodig, en waar we minder en minder gerespecteerd worden als we ouder worden in een jeugdcultuur waar men arbeidsongeschikt is boven de veertig.

In het werk ontmoeten we op verschillende manieren het Kruis. Bovendien is het de plek waar we onze kundigheden en menselijke mogelijkheden ontwikkelen, waar we vreugde ervaren bij het volbrengen van moeilijke opdrachten, waar we die arbeidsvreugde ontdekken waar mijn dochter naar verwees toen ze vroeg: “Waarom is er zoveel plezier in het tot een goed einde brengen van iets moeilijks en veeleisend?”

Geestelijk leven betekent last en vreugde

Het geestelijk leven dat we moeten volhouden als we de heiligheid willen bereiken is veeleisend. Het is een programma, Escrivá insisteert, dat zowel noodzakelijk als goed voor je is. Maar wees realistisch: je faalt telkens opnieuw en opnieuw. Maar je staat iedere keer op.

De weg naar boven op dat hellend vlak is vol van momenten dat je terugglijdt. Daarom zijn de middelen noodzakelijk: Het opdragen van de dag in de morgen, het beseffen van de aanwezigheid van God gedurende de dag, de gebeden en meditaties, zo mogelijk dagelijkse H. Mis – dat gewoonlijk in Noorwegen niet het geval is voor een werkend iemand met een gezin, daar er zo weinig Missen zijn, zelfs in Oslo; – en het gewetensonderzoek met veelvuldig biechten.

Deze normen werkelijk praktiseren is zeer moeilijk. Niet omdat zij te veel eisen, maar omdat de wil te zwak is. De moeilijkheid van dit programma bestaat uit je eigen mislukkingen wanneer je herhaaldelijk belooft en het laat afweten, en ook wanneer je jezelf moet dwingen die paar minuten van gebed te blijven zitten die je op dat uur hebt besloten te doen. Als een menselijk wezen zijn neigingen volgde zouden de meeste van die normen één voor één achterwege worden gelaten Dan is er de logische maar gevaarlijke “kwade cirkel”: wanneer je Gods aanwezigheid en genade ervaart, je gemakkelijk bidt en je overal in Hem verheugt, in de meest verwarrende omstandigheden. Maar in dorre perioden, ga je verder door zelfdiscipline. Dit is zeer zwaar om vol te houden. Als je dan toegeeft, begint de lauwheid, en je kan echt in moeilijkheden raken tenzij je de weg opnieuw vindt. Maar de vreugde is er wanneer je die het minst verwacht: die vreugde van intimiteit met Hem, die elke andere vreugde overtreft.

Escrivá toegepast: een persoonlijke omweg

Werk goed: de eerste sleutel

"De eerste sleutel om Christus te vinden
in je werk: het moet zeker goed gedaan zijn
in zuiver menselijke termen
.
"

Het gewone leven is de plaats waar we zijn. Het is óf een plaats waar we door toeval zijn, óf door een soort van “verzuim” van de kant van God. Dan is het een onbeduidende positie, verstoken van betekenis en we hebben gelijk om te wensen ergens anders te zijn.

“Gelooft u werkelijk dat God een plan voor mijn leven hier in Noorwegen heeft?” vroeg ik eens aan een vriendin van mij. Het scheen volkomen nutteloos daar te zijn, met helemaal niets katholieks over het leven, en eerder vijandig die maakte dat het Christendom niet op zijn plaats scheen. Waarom zou ik mijn leven daar doorbrengen? Mijn vriendin lachte en antwoordde: “Natuurlijk. Daar kan je absoluut zeker van zijn”. Ik was minder overtuigd. Het was gemakkelijk katholiek te zijn en christen onder “gelijkgezinden”, maar ogenschijnlijk onmogelijk op deze plaats. De omgeving was feitelijk heidens.

Later ben ik er toe gekomen van dit feit te houden en mijzelf gelukkig te prijzen een christen te zijn op zo’n plaats. Dit omdat ik ontdekt heb wat mijn vriendin al een hele tijd moet hebben geweten; namelijk dat de bron van geloof binnenin jezelf ligt. Je hebt helemaal geen gunstige omstandigheden nodig. Bovendien zijn de woorden van de H. Paulus onwrikbaar waar: “Wanneer ik zwak ben, ben ik sterk”. Voor degenen die zoeken naar een op “ervaring” gebaseerd bewijs, zoals we allemaal van tijd tot tijd doen, is dit interessant: diegenen die geloven doen dit niettegenstaande de vervolgingen en onverschilligheid van de omgeving.

Ik kan Rome bezoeken, een toerist zijn, met nietszeggende en oppervlakkige gevoelens. De plaats is niet de sleutel. De bron van leven – de voeding van het geloof – ligt niet in de plaats of in de gebruiken, mensen, of traditie. Het “ondersteunende systeem” zoals ik het noem, ligt in de sacramenten en in het persoonlijk gebed; in het onderhouden van een conversatie met God onder alle omstandigheden, goed of slecht.

Christus is niet in bepaalde plaatsen te vinden, maar in mij en in andere mensen. Het is noodzakelijk toegang te hebben tot de sacramenten, maar niets meer. De rest is aan mij. Als ik mijzelf liet verloren lopen door verwaarlozing, wat ik herhaaldelijk deed, moest ik de weg terugvinden door de sacramenten en gebed. Ik begon meer en meer te beseffen dat echt leven, werkelijkheid, verankerd ligt in deze “relatie” met Christus; niet in iets maatschappelijks of geografisch. Deze bewustwording is het begin van werkelijk leven in Christus, in het leven anders zien. Dit inwendige leven, zoals het genoemd wordt, is precies het fundament voor het “uitwendige” leven dat iedereen kan waarnemen.

Maar we zijn geen engelen, en we brengen ons dagelijks leven niet door met gebed in een kerk. We zijn normale mensen met de hele tijd een hoop werk te doen. Deze materiële werkelijkheid is ook een gegeven; het neemt het grootste deel van onze tijd en ons leven in beslag. Ik had de tweeslachtigheid van geloof versus leven overwonnen; maar hoe wordt het leven zelf en al zijn werk doordrongen met christendom?

De belofte van Escrivá dat alle werk heilig kan worden, de wereld van karakter kan veranderen, was wat mij zeer sterk interesseerde. Als hij kon nakomen wat hij beloofde, dan was er een manier voor alle gewone werkende mensen om de betekenis van het leven te ontdekken hier en nu, waar zij hun leven doorbrachten.

Niets buitengewoons, niets klerikaals, niets verwijderd van het dagdagelijkse leven. Christus kan worden gevonden direct te midden van het aardappelen schillen, had hij geschreven. Dit is een revolutie als het waar is Maar dit is ook eenvoudige logica. We zijn schepselen die het grootste deel van ons leven werkend doorbrengen. Dus als de werkelijke zin niet in ons werk kan worden gevonden, waar gaat het dan om?

Verder, de menswording moet betekenen dat Christus al de tijd in de wereld aanwezig is, ook in de materiële werkelijkheid, niet enkel in personen. We staan niet alleen in een individuele relatie met Christus, maar onze zending houdt in anderen naar Hem toe te brengen, en ook Hem “gestalte te geven” in de structuren van de wereld – de politiek, de economie, de gezinnen, de werkplek. Tenzij dit mogelijk is, wordt christendom een zaak voor de gelukkigen die Christus voor zichzelf ontdekken, vanuit een filosofie die zegt dat alleen het eigen ik en zijn bewustzijnsdaden bestaan. Dat is niet waar christelijke solidariteit en christelijke liefde over gaat. De hele wereld kan worden omgevormd tot een goede en rechtvaardige wereld, maar het hangt allemaal af van de medewerking van de mensen met God.

We zijn geschapen met een vrije wil, en kunnen ook kiezen voor niet-medewerking. Werk goed gedaan is echt voldoening schenkend. De vreugde iets tot stand te hebben gebracht, een inspanning te hebben gedaan, zichzelf hierbij te hebben gegeven, geeft meer voldoening dan andere dingen in het leven. Het hoeft helemaal geen ingewikkeld werk te zijn: ik ben zeer tevreden en gelukkig wanneer ik het huishoudelijk werk goed doe, het huis een plezierige plek maak voor ons allen om er te zijn. Wanneer je slordig en oppervlakkig in je werk bent, is dat zo’n persoonlijke nederlaag: je weet dat je minder gedaan hebt dan je kunt, en je bent voor jezelf beschaamd over je eigen luiheid en gebrek aan eerzucht.

Dan komt de zuivere dienstigheid van goed en hard werk. Het verbetert de wereld. Er is menselijke vooruitgang op bijna alle gebied; wat vandaag ontbreekt is een ethisch kader, niet verbeteringen in technologie. De voedselproductie van de wereld zou gemakkelijk de wereldbevolking kunnen voeden als ze meer rechtvaardig werd beheerd, en geneesmiddelen zouden aan allen beschikbaar gesteld kunnen worden mits een inspanning tot herverdeling. Dit is allemaal gebeurd dankzij menselijke arbeid. De christen heeft een duidelijke plicht bij te dragen tot het gemeenschappelijk goed, een plicht die Escrivá de hele tijd onderstreepte, en het was niet gebruikelijk dat te benadrukken in zijn tijd en milieu. De plicht een werkzame burger te zijn is echter deel van de onveranderlijke leer van de kerk.

Vandaag is het nog meer noodzakelijk dan ooit. We hebben een plicht te werken voor solidariteit, voor ecologische verbetering, voor uitroeiing van armoede, en zo verder. Zonder twijfel zou de effectieve arbeid van ons allen de wereld in die opzichten enorm verbeteren indien met ijver en de juiste toewijding gedaan. Het is veel te gemakkelijk je terug te trekken in de privé sfeer en enkel te zorgen voor je directe familie en eigen leven.

Maar daar komt nog bij dat werk de mens ontwikkelt. Het is daar dat je in deugd groeit. Je gaat vooruit in kundigheden, verstandelijk, in je beroep, en je wordt volwassen in je manier van werken. Er is een vreugde in werken, zoals er een vreugde in leren is: je gebruikt je capaciteit en talent als een menselijk wezen. Ik houd van mijn werk omdat het uitdagingen met zich meebrengt en het geeft voldoening als ik die uitdagingen beantwoord: een doel bereiken waar ik naar gestreefd heb – een internationale publicatie; een goed geschreven analyse; een goed geleid politiek proces, en zo verder. We hebben allemaal onze beroepscriteria en standaarden, en weten zeer goed wat goed is, slecht en uitstekend. We weten ook wanneer we verslappen en precies doen wat noodzakelijk is. Na enige tijd verafschuwen we onszelf, omdat we het ons makkelijk maken. Ja, we behoren onszelf dan werkelijk te verafschuwen, omdat we onze talenten en gave ten volle moeten gebruiken.

De eerste sleutel om Christus te vinden in je werk: het moet zeker goed gedaan zijn in zuiver menselijke termen.

Werk als dienst: de tweede sleutel

"Het ogenblik dat je je werk in dienst kunt
veranderen
, heb je een grote stap
vooruit gezet
."

Maar goed werken kan worden gedaan zonder enige andere overweging dan eenvoudigweg om een goed resultaat te verkrijgen en er voldoening van te hebben, zowel persoonlijk als in termen van geld. Ik ken zeer veel mensen die hard en goed werken om vooruit te komen en zo veel mogelijk geld te verdienen. Het is goed ambitieus te zijn, maar het moet ergens op gericht zijn. De hoofdzaak hier is de bedoeling.

Als een moeder kan ik gemakkelijker begrijpen hoe werk een dienst kan zijn, en waarom het verandert als het de juiste bedoeling heeft. Op een dag keek ik in een paar oude albums; de kinderen waren zo klein, toch leek het niet lang geleden. Hoeveel werk het allemaal was! Ik had het allemaal vergeten, maar toen ik de foto’s zag van de vier kleinen, netjes aangekleed, twee van hen tegelijk in een kinderwagen. Dan herinnerde ik me het werk: de borstvoeding, het gebrek aan slaap, het voortdurend op hen letten, het aandoen van winterkleding voor de gebruikelijke tien graden onder nul in de winter, het brengen en ophalen van de kleuterschool, koken, spelen, thuis blijven als zij ziek waren, altijd de één na de ander…jaren en jaren van hard werken, wat ik vergeten was omdat het zo’n vreugde gaf. Ik had ze in gedachten gehouden zonder aan mijzelf te denken. Ik was al het werk dat het meebracht vergeten, omdat ik mijzelf vergat en aan hen dacht. Dit werk met kinderen was niet een persoonlijk genoegen of een prestatie die ik in mijn curriculum vitae kon zetten: “miljoenen luiers gewisseld, 600 liter moedermelk per jaar geproduceerd”, enz. Nee, het was werk van een ander soort, gedaan in een symbiotische relatie met de kleinen: een natuurlijke en overduidelijke dienst aan hen. Al mijn werk voor hen had voor mij geen belang, alleen een stom, monotoon, energievretend werk – maar het was werk dat veel meer waard was voor die anderen dan mijn beroepswerk in deze ene, fundamentele betekenis. Het was een zuivere dienst, gedaan voor iemand anders omdat ik van hem/haar houd.

In die tijd had ik natuurlijk nooit nagedacht over dit werk als een dienst aan God en ook aan anderen – het was eenvoudig wat moederschap met zich meebracht. Maar nu kon ik inzien dat dit een dienst aan Hem was. Werk moet goed gedaan worden, maar dit is alleen een noodzakelijke maar helemaal geen voldoende voorwaarde om het een weg naar God te laten zijn. Het is alleen als het een dienst is aan Hem en aan anderen, dat werk een betekenis krijgt voorbij zichzelf. Zelfs in een zuiver menselijk perspectief begrijpt men dat werk als dienstverlening nobeler is dan werk als zelfontplooiing en zelfontwikkeling. Werk als zelfvervulling ontwikkelt jezelf, en dat is goed. Het is een verplichting aan jezelf, je talenten zo goed mogelijk te gebruiken.

Maar dit is slechts de eerste stap of wat werk kan en behoort te zijn. Ik wil in staat zijn dit te doen, ik wil deze beroepsuitdaging, ik streef er naar de beste in mijn vak te zijn – dit is allemaal goed en moet worden nagestreefd. Maar dan, als dit op het juiste spoor is gezet, is het tijd te overwegen in welke mate je werk een dienst aan anderen is. Vanuit het dienst gezichtspunt zou ik wagen te zeggen dat mijn werk als moeder belangrijker is dan mijn werk als professor of als politicus.

Men ziet eventjes een andere werkelijkheid in die zeldzame ogenblikken van onzelfzuchtige dienstverlening. De belemmering van het eigenbelang wordt voor een ogenblik vervangen door zelfgave, en men is in contact met het echte menselijke ik. Het is alsof men zich bewust wordt van een lang vergeten werkelijkheid, en men ziet in dat dit de sleutel is tot iets fundamenteels, tot een orde die het eigen ik overstijgt.

Opnieuw, in de menselijke context, werk als een dienst is voldoening gevend: de verpleegster die de zieken helpt weet dat, de leraar die een zwakke leerling helpt weet dit, maar de machtigen in het zakenleven zijn in dit opzicht ver verwijderd van enig menselijk inzicht. Werk als dienstverlening is de koninklijke weg om de wereld zelf te verbeteren – het is bovendien de allereerste voorwaarde voor politiek die meer is dan louter machtsstrijd, en het is de sleutel tot menselijke sympathie en communitas. Dit werk moet goed worden gedaan, maar dan is het ook nodig goed te worden gericht: als dienstverlening aan anderen en aan de maatschappij.

In christelijk perspectief is deze dienstverlening de praktische liefde voor anderen; met daden doen wat naastenliefde verwacht. Escrivá spreekt over de heiliging van het werk zelf – dat niet alleen goed gedaan wordt, maar ook goed gericht; de heiliging van zichzelf door werk; dat is de geleidelijke verbetering van zichzelf in termen van deugden – des te meer dienst we verlenen, des te meer rechtschapen we worden; en uiteindelijk, de heiliging van anderen door ons werk – zij zien hoe wij werken en dat ons werk hen dient, en daarbij beseffen ze dat het werk zelf een plaats is om Christus na te volgen. Het ogenblik dat je je werk in dienst kunt veranderen, heb je een grote stap vooruit gezet.

Hoe goed dien je God en anderen met je werk? Dat hangt niet af van de soort positie die je hebt. Het hangt in tegendeel af van wat soort instelling je voor het werk hebt. Het is niet gemakkelijk te werken als een dienstverlening. Het is veel gemakkelijker voor je zelf te werken. Maar als je voor een ogenblik probeert menselijk werk te zien vanuit Gods gezichtspunt, is het duidelijk dat het voor Hem alleen nuttig zijn kan als het ons verbetert, anderen, en de wereld zelf. En het is eveneens duidelijk dat werk als dienstverlening ons dezelfde zeldzame vreugde geeft die onbaatzuchtigheid geeft.

Werk als Liefde: de derde sleutel

"Liefde is de eerste beweegreden van dit
werk
, dat van geen tel is in de ogen
van de wereld
. Maar in Gods ogen
moet dit “volmaakt” werk zijn:
een dienst gedaan uit liefde.
"

Toen ik minder aan mijzelf dacht en meer aan mijn kinderen, ontdekte ik de derde sleutel tot het belang van werk. De christelijke zin van de dingen is altijd verborgen in het leven van elke dag. Het zijn wij die gedurende het grootste deel van ons leven halfblind zijn.

Na drie jaar in de regering was ik teruggekeerd naar het normale beroepsleven. De overgang was moeilijk geweest, maar na enkele maanden was ik thuis geraakt in een nieuwe baan die mij voldeed en die nieuwe uitdagingen met zich meebracht. Ik miste de vroegere baan niet. Maar dit ging allemaal over werk als een uitdaging in het beroep; niet over werk als een dienst.

Wat ik in mijn jaren als beleidsvormer van buitenlandse politiek over het hoofd had gezien was, dat het zich laten zien en het ontwerpen van beleid in het perspectief van God niet noodzakelijk van het allereerste belang waren. Zij waren gepast en goed in zichzelf – tenminste de meeste tijd maar wat de wereld uit menselijk oogpunt beter scheen te maken, was niet noodzakelijkerwijs dat goddelijk perspectief. De tussenkomst van de politiek, zowel als die van het zakenleven, is dikwijls noodzakelijk, maar men moet niettemin leren te proberen de christelijke gedragsnormen en juiste intentie toe te passen. Het is moeilijk, maar noodzakelijk. Veel internationale politiek zou veel minder egocentrisch kunnen zijn als men dit werkelijk deed. Het cynisme dat bijna steevast samengaat met internationale politiek en zakenleven is negatief; terwijl werkelijkheidszin nodig is.

Te midden van de keiharde regels van het spel in deze twee gebieden moet de christelijke werker de juiste bedoeling zoeken om God en de anderen te dienen. Maar hoe?

Het waren opnieuw mijn kinderen die mij een les leerden. Ik was in die jaren zoveel van hen weggeweest, en had nauwelijks tijd voor hen gehad. Ik had zelfs een boek geschreven over hoe belangrijk het moederschap is en ik meende er elk woord van; maar ik was niet echt in de materie doorgedrongen. Nu dat ik plotseling tijd voor de kinderen had, besefte ik hoeveel ik ze verwaarloosd had. Het was niet alleen een kwestie van tijd, het was een zaak van mentaal aanwezig te zijn. Zij hadden mij veel meer gemist dan ik had beseft omdat ik zo in beslag genomen was geweest met mijn belangrijk werk.

Belangrijk in welke betekenis? Redelijk belangrijk voor de wereld van de politiek, van veel groter belang voor mij in mijn beroep; maar in termen van dienst aan anderen; aan degenen toevertrouwd aan mijn zorgen? In Gods perspectief komen zij eerst. Ik had nu opnieuw tijd voor ze, en dat deed mij mijn werk in een juister perspectief zien: Elke dag thuis komend op regelmatige uren, de tijd nemend naar hun verhalen over de gebeurtenissen van de dag te luisteren, met ze lezen en spelen – dat allemaal besefte ik nu, was werk van kapitaal belang voor hun menselijke ontwikkeling. Zij hebben mij het meest nodig, en God heeft hen dichter bij mij geplaatst dan wie dan ook. Dit rustige werk is een werk van liefde en gemakkelijk als zodanig te herkennen, omdat men zijn eigen kinderen liefheeft.

Liefde is de eerste beweegreden van dit werk, dat van geen tel is in de ogen van de wereld. Maar in Gods ogen moet dit “volmaakt” werk zijn: een dienst gedaan uit liefde.

Dit voorbeeld is zo simpel en het betrokken werk is ook eenvoudig. Maar het is niettemin een uitstekend voorbeeld. De liefde voor zijn eigen kinderen is de beste manier om werk een dienst te laten worden, omdat de meeste ouders deze liefde in zich hebben. Je dient God nog niet zozeer lief te hebben om onzelfzuchtig te werken voor die kleine anderen. Maar door deze liefde voor kinderen ontdek je ook de liefde voor Christus – als ik goed voor ze werk vind ik Christus te midden van dit gezin.

In andere soorten werk kan Hij evenzeer altijd gevonden worden, ofschoon dit niet zo voor de hand liggend kan zijn. Maar als je Hem eerst zoekt, vind je de kracht om te werken als een dienst. De hulp om dat te doen wordt je gegeven.

De boodschap van Escrivá is niet ingewikkeld of gecompliceerd; maar hij is veeleisend voor je in het hier en nu. Vaak lijkt het dat mijn werk onvruchtbaar is, alleen gedaan omdat ik moet. Maar dan; als ik werkelijk de intentie heb dat het een dienst voor God en de ander is, omdat ik God bemin en daarom ook die anderen – dan krijgt het plotseling effectief een nieuwe betekenis. Als ik die intentie al de tijd kan vasthouden, mijzelf er aan herinner, haar hernieuw, er in volhard – dan kan het werk dat ik doe, dat weinigen echt zien en toejuichen, iets nuttigs en heiligs worden. Wat een geweldig project!

Het aardappelschillen kan onvruchtbaar en saai zijn, op zijn best een beetje nuttig voor degenen die ze zullen eten. Of het kan een karwei zijn vol lof en liefde voor God, aan Hem opgedragen. Hij zal het van karakter veranderen en gebruiken in overeenstemming met Zijn plan. Dan is gebed en werk verenigd in liefde voor God: een werkelijke eenheid van leven.

Besluit: een geestelijke revolutie

"Deze “democratisering” van heiligheid die de
spiritualiteit van het Werk inhoudt is dit:
we kunnen en moeten allen heiligen zijn en
God geeft elk van ons de “grondstof”
waarmee dit te bereiken."

Mijn bewustwording van de waarheid van Escrivá ’s spiritualiteit is zeer geleidelijk gekomen. In het begin was ik veel meer in werk geïnteresseerd dan in geestelijk leven. Ik heb altijd van werken gehouden, en hield van mijn vak – in die mate dat mijn kinderen klagen dat ik niet weet hoe op vakantie te zijn. “U bent alleen gelukkig als u werkt”, zeggen ze.

Maar de bovennatuurlijke aard van werk en dus de ware sleutel tot deze spiritualiteit, kwam pas laat. Ik behield voor lange tijd een puur natuurlijk beeld van werk. Maar toen het mij uiteindelijk gegeven was de bovennatuurlijke kanten te kennen en beter te begrijpen, slechts toen realiseerde ik mij dat dit een eigen specifieke roeping is zowel als ook een geestelijke revolutie.

Dit is niets nieuws in bewoordingen van geestelijk leven, maar Escrivá ’s charisma is een volledige openbaring van wat werk bedoeld is te zijn voor de mens. Dit is zo revolutionair omdat het in het gewone “verborgen” leven is; niet in de spectaculaire gebeurtenissen van de geschiedenis. Het is juist, ook in menselijke ogen buitengewoon werk en moet worden geheiligd; maar God is Degene die het heilig maakt, met onze medewerking. En God is Degene die beslist welk gewicht om het even welk werk in de orde van de schepping en de menswording moet hebben. Wij kunnen en behoeven het niet te weten.

Deze “democratisering” van heiligheid die de spiritualiteit van het Werk inhoudt is dit: we kunnen en moeten allen heiligen zijn, en God geeft elk van ons de “grondstof” waarmee dit te bereiken. We hebben alle middelen om aan ons eigen geluk te werken – dat is onze heiliging; door anderen gelukkig te maken door God te vinden – hun heiliging, en door de wereld met Christus te doordrenken – zijn heiliging.

Dit is een geweldig geschenk en “minzaamheid” van God ’s kant. En het is voor mij zeer duidelijk dat Hij Escrivá uitkoos om ons dit geschenk te geven. Als ik Prada’s biografie over de eerste jaren van het Werk in Madrid lees, begrijp ik zo goed hoe Escrivá zonder menselijke middelen was, arm, vervolgd, in een klerikaal systeem hoe hij toch gehoorzaamde aan God in het ontdekken wat God wilde dat hij deed: het Werk te stichten. Maar het was duidelijk God ’s Werk; terwijl Escrivá Zijn instrument was.

JEANNE HAALAND MATLARY

Referenties

Illanes, J. L. (1967) On the Theology of Work, Scepter Books, Dublin and Chicago
Ibid. (1997) “Work, Justice, Charity”, in Belda, M. et al (eds.), Holiness and the World: Studies in the Teachings of Bl. Josemaría Escrivá, Scepter Books, Princeton
O’Callaghan, P. (2000) The Charism of the Founder of Opus Dei, Annales theologici, vol. 14, Revista della facoltà di teologia della Pontificia Università della Santa Croce, Rome
Fabro, C. et al (1993) (eds.) Santos en el mundo. Estudios sobre los escritos del Beato Josemaría Escrivá de Balaguer, Ediciones RIALP, Madrid
De Prada, A. V. (2001) The Founder of Opus Dei: the Life of Josemaría Escrivá,Scepter Publishers, Princeton, N.J.
Escrivá de Balaguer, Bl. J. (1987) Forja, Ediciones RIALP, Madrid
Ibid. (1939) Camino, Ediciones RIALP, Madrid
Ibid. (1973) Christ is Passing By, Scepter, London
 

Opus Dei - Escriva Works - Romana - heilige Jozefmaria - De Boog 
Gegevens over Opus Dei 
Vaticaan - Katholiek Nederland

Nedstat Basic - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller